PVV-politica schiet in eigen voet

Compromisloos en slagvaardig ijveraar voor integriteit. Zo staat Marjolijn Faber, voorzitter van de PVV-fractie in Gelderland, al jaren bekend. Naar nu blijkt heeft Faber zelf in de jaren 2012 en 2013 bij elkaar 8.445 euro aan subsidiegeld uitgegeven aan een bedrijf waarvan haar zoon, Willem Martijn Faber, mede-eigenaar is: ‘Mr. Websites’ in Nijkerk.
De kosten werden gemaakt voor het beheer van de website van de PVV in Gelderland, een taak die tot 2012 kosteloos werd gedaan door PVV-Statenlid Marc van Kampen. Deze gegevens komen uit een onderzoek van NRC-Handelsblad dat via een WOB-procedure (Wet Openbaarheid van Bestuur) inzage kreeg in de jaarrekeningen van Mr. Websites. Deze bevindingen hebben Faber, die inmiddels lijsttrekker is voor de Eerste Kamerverkiezingen, genoodzaakt om advies te vragen aan Douwe Jan Elzinga, hoogleraar staatsrecht. Laatstgenoemde oordeelt dat de fractie een “integriteitsrisico” heeft genomen en adviseert “om de gegunde werkzaamheid in deze vorm te beëindigen”. Dat is een pikante conclusie omdat Marjolijn Faber de afgelopen jaren naam heeft gemaakt met haar onvermoeibare strijd tegen integriteitsschendingen. Zo was zij persoonlijk verantwoordelijk voor de val van PvdA-staatsecretaris Co Verdaas in 2012, die als Gelders gedeputeerde 9.000 euro ten onrechte bij de provincie had gedeclareerd. Volgens Faber echter heeft zij niets onoorbaars gedaan, omdat niet haar zoon maar diens mede-vennoot het websitebeheer heeft gedaan. “Wij hebben mijn zoon buiten het werk gehouden”, aldus Faber.

Reactie Job de Haan van Integriteit.nl:
Wie, zoals Marjolijn Faber, de lat voor anderen hoog legt, moet niet vreemd opkijken wanneer zij in vergelijkbare gevallen met dezelfde maat gemeten wordt. Haar verweer dat zij “niets fout heeft gedaan”, omdat haar zoon “buiten het werk” voor de PVV-website is gehouden, is niet steekhoudend. Immers, niet de werkzaamheden zijn doorslaggevend, maar de vraag waar het subsidiegeld terechtkwam en dan kan niet anders dan geconcludeerd worden dat Willem Martijn Faber gedeeltelijk profijt heeft van het werk van zijn mede-vennoot. Ook een tegenwerping dat het hier om klein bier gaat, kan geen stand houden. Toen Marjolijn Faber een einde maakte aan het Haagse politieke bestaan van Co Verdaas verklaarde zij zelf dat het niet om de hoogte van het bedrag ging, maar om het principe. Bovendien, als zij vindt dat er geen fouten zijn gemaakt, had zij ook niet een externe deskundige om advies hoeven vragen, want dan was de uitkomst al duidelijk. Nu Elzinga heeft geoordeeld dat de relatie tussen de PVV en Mr. Websites een ongeoorloofde belangen-verstrengeling aantoont of tenminste de schijn daarvan zal Marjolijn Faber volgens haar eigen strenge principes niet anders kunnen doen dan de financiële banden met Mr. Websites verbreken. Inmiddels heeft een PVV-woordvoerder verklaard dat dit inderdaad is gebeurd. Het handelen van Faber druist in tegen het reglement van de  provincie, bevestigt Bob Roelofs, statengriffier van de provincie Gelderland. ‘Nee, het mag niet wat zij heeft gedaan.’ Volgens artikel 9 van de ‘Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning’ van de provincie mag fractiegeld niet worden gebruikt voor ‘de honorering voor werkzaamheden ten behoeve van de fractie door een Statenlid, fractievolger dan wel een bloed- of aanverwant tot en met de tweede graad’. De Gelderse commissaris van de koning Clemens Cornielje liet tegenover De Gelderlander weten dat Faber de regels heeft overtreden. Hij vindt dat Provinciale Staten nu over de kwestie moeten oordelen. De Gelderse fracties van VVD, PvdA en SGP hebben al verklaard dat Faber moet aftreden, maar zij weigert dat. Met het terugbetalen van het gewraakte bedrag is voor haar de kous af. De Statenfracties hebben een spoedvergadering ingelast waarbij de vraag centraal zal staan: heeft Faber in juridische zin de wet overtreden of heeft ze gehandeld tegen de geest van de regels?

Mark Verheijen stapt op als Kamerlid na commissie-rapport

“Een volksvertegenwoordiger kan alleen functioneren als zijn of haar integriteit niet ter discussie staat. Dat was bij mij helaas de afgelopen weken wel het geval. Dat was niet goed voor mijn partij, niet voor mij en niet voor het aanzien van de politiek.Ik heb daarom vandaag besloten mijn lidmaatschap van de Tweede Kamer neer te leggen.” Zo begint de verklaring van Mark Verheijen die daarmee het einde van zijn Haagse politieke carrière aankondigt.
Verheijen vervolgt: “De verschillende publicaties van de afgelopen weken in combinatie met een aangifte in mijn richting bij het Openbaar Ministerie zorgden voor veel onrust. Naar aanleiding daarvan heb ik de Permanente Commissie Integriteit van de VVD gevraagd hiernaar te kijken. Deze Commissie concludeert vandaag dat alles bij elkaar opgeteld de feiten en de dynamiek rondom mijn persoon niet passen in het integriteitskader van de partij. Dat alles bij elkaar laat mij geen andere keuze dan mijn functie neer te leggen. Met pijn in het hart, maar met de overtuiging dat dat in deze omstandigheid het enige juiste besluit is.

Ik ben meer dan zestien jaar actief geweest in de politiek. Ik heb mijn publieke functies altijd met hart en ziel en naar eer en geweten uitgevoerd. Natuurlijk heb ik daarbij ook fouten gemaakt of vergissingen begaan, maar de ontstane beeldvorming van de afgelopen weken herken ik niet en raakt mij diep. Ik heb veel te danken aan de partij en de steun die ik altijd ontvangen heb. Dat ik juist die partij, haar politici en vrijwilligers met alle publicaties heb geschaad spijt mij zeer.”

VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra:

“Mark Verheijen heeft vandaag besloten zijn Kamerlidmaatschap te beëindigen. Voor Mark is dit een persoonlijk drama, maar op grond van het rapport van de integriteitscommissie en de publicaties van de laatste weken is dit een logisch besluit.”

VVD-partijleider Mark Rutte:

“Ik heb twee fouten begaan. Ik had me meteen na de publicaties van NRC-Handelsblad moeten onthouden van commentaar (“opgeblazen”, JdH) en het was beter geweest als de integriteitscommissie sneller aan de slag was gegaan.”

Commentaar Job de Haan van Integriteit.nl:
Door de opeenstapeling van beschuldigingen aan het adres van Verheijen en het rapport over hem van de VVD-integriteitscommissie, was het slechts een kwestie van tijd wanneer Verheijen zijn vertrek uit de Tweede Kamer zou aankondigen. Wat overblijft is een geknakte politieke carrière, het boetekleed van de VVD-top en veel imagoschade voor de VVD aan de vooravond van de Eerste Kamer-verkiezingen. Wat achteraf het meest opvalt is de opeenvolgende inschattingsfouten die de partijleiding heeft gemaakt in haar ijver tot damage control. De ‘kleine, dunne feitjes’ zoals Rutte in een eerste reactie de misstappen noemde, blijken in de praktijk – en dat is winst – grote gevolgen te hebben gehad. Met name de heftige kritiek uit eigen VVD-gelederen noopte de partijtop om alsnog de feiten te onderzoeken en te wegen. Dat deel van de achterban bleek meer waarde te hechten aan de strenge interne integriteitsprincipes zoals bepaald in 2013 dan Rutte c.s., die de verkiezingscampagne voor de Eerste Kamer in gevaar zagen komen. Ook die reactie uit eigen gelederen is winst. Wat zijn de feiten die de commissie heeft vastgesteld? Het ging niet om grote malversaties noch was er sprake van moedwillige zelfverrijking. Er werd wel een patroon zichtbaar: dubbele reiskostendeclaraties, een exorbitant hoog bedrag voor een fles wijn en uitstapjes die op of over de grens gingen tussen privé en politiek. Hier was geen grote graaier aan het werk, maar om een kleine, slordige krabbelaar. Toch meent de VVD-commissie: “Bij declaraties wordt van bestuurders alertheid vereist”. En met de aanvankelijke verdediging van Mark Verheijen, (“ik ben politicus, geen heilige”) maakt de commissie korte metten: “Op naïviteit kan een bestuurder zich niet beroepen”. En ten slotte: “In kwantitatief opzicht wellicht geringe kwesties, hebben in integriteitsopzicht soms een grote – symbolische – betekenis”. Met die constatering is de VVD en met haar politiek en bestuurlijk Nederland op een even pijnlijke als terechte wijze gewaarschuwd.

Driemaal Balkenende, eenmaal Opstelten

Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft een externe consultant twee jaar lang een salaris betaald van 1,3 miljoen euro. Dat is driemaal de Balkenende-norm van € 228.599.=. Hij werd ingehuurd om de automatiseringsproblemen bij de Nationale Politie op te lossen. Deze gegevens zijn verstrekt na een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur door NRC-Handelsblad.

De toenmalige problemen werden door minister Opstelten als zo urgent beschouwd, dat hij persoonlijk toestemming gaf om geen offertes bij andere consultants aan te vragen en de maximaal toegestane beloning ruimschoots te overschrijden. De consultant in kwestie was Jo van den Hanenberg van het Amsterdamse bureau BoerCroon. Hij werd in mei 2012 aangesteld samen met zijn BoerCroon-collega Pieter Cloo. Laatstgenoemde werkte van mei tot december 2012 en kreeg daar als interim-manager een salaris van € 400.000.=, zijnde ruim € 5.700.= per dag. Nu is het zo dat de Wet Normering Topinkomens eist dat een minister die een topfunctionaris hoger wil honoreren dan de maximale norm, dat alleen doet na goedkeuring van de ministerraad, waarna de beloning ook openbaar wordt gemaakt. In dit geval is dat niet gebeurd, aldus het ministerie in een reactie, omdat beide consultants in hun ogen geen ‘topfunctionaris’ in de zin der wet waren. Bij hun aanstelling was het de bedoeling dat Van den Hanenberg en Cloo maximaal zes maanden voor het ministerie zouden werken, maar Opstelten besliste anders. Hij verlengde het contract met de eerste diverse malen tot uiteindelijk twee jaar en Cloo benoemde hij na zeven maanden als secretaris-generaal op zijn departement. Ook hadden beide consultants de beschikking over een dienstauto met chauffeur. In het geval van Van den Hanenberg bedroegen de kosten daarvan over twee jaar: € 384.000.= oftewel € 16.000.= per maand.

Reactie Job de Haan van Integriteit.nl:
Begin 2012 dreigde het noodzakelijke samenvoegen van computersystemen bij de oprichting van de Nationale Politie op een groot en kostbaar fiasco uit te lopen. Terecht greep minister Ivo Opstelten direct en kordaat in. Dat hij daarbij de gebruikelijke procedures van inhuur en salarisnormering opzij zette is onder druk van de noodsituatie volstrekt verdedigbaar. Ook de Wet Normering Topinkomens staat een dergelijke handelwijze in uitzonderlijke gevallen toe onder de voorwaarde dat de ministerraad hiermee instemt en de afwijking openbaar wordt gemaakt. De vraag is nu of het ministerie en in het bijzonder minister Opstelten op dit punt in gebreke is gebleven en wettelijk voorgeschreven transparantie ten onrechte achterwege heeft gelaten. Wat valt Opstelten te verwijten? Niet dat hij één consultant voor circa  € 3.000.= per dag zijn werk liet doen. Een dergelijke beloning op zo’n cruciaal dossier is geheel marktconform, omdat het meestal om een korte periode gaat. Dat was ook bij Van de Hanenberg de bedoeling, maar zes maanden werden twee jaar. Dan is een totaalbedrag van 1,3 miljoen euro wel aan de (te) hoge kant. De andere consultant, Pieter Cloo, stopte na zes maanden met zijn interim werk en ontving daarvoor € 400.000.=, ruim € 5.700.= per dag. Ook dat is meer dan goed betaald. Toch, wanneer er zoveel op het spel staat dan wil je als verantwoordelijk minister de allerbeste mensen en de twee van BoerCroon stonden als zodanig bekend. Daar hangt dan wel een overeenkomstig financieel plaatje aan. En hier komt Opstelten op het terrein van de bestuurlijke verwijtbaarheid van handelen.

Immers, hij is niet alleen afgeweken van de Wet Normering Topinkomens maar heeft ook de uitzonderingsclausule in die wet genegeerd. Of het kabinet ooit met de afwijking heeft ingestemd is het geheim van de ministerraad, maar Opstelten is inzake de plicht tot openbaarmaking nadrukkelijk in gebreke gebleven. Het argument dat die plicht in dit geval niet aan de orde was omdat de twee consultants niet werden beoordeeld als ‘topfunctionaris’ kan geen steek houden. Ga maar na, de ene consultant kreeg een topsalaris gedurende een zodanige periode dat er geen sprake meer kon zijn van interim werk en de ander kreeg na een half jaar de hoogste ambtelijke baan op het ministerie. Dan moet daar ook nog bijgevoegd worden dat beiden de beschikking kregen over een auto met chauffeur. In het geval van Van den Hanenberg betreft het hier een totaal bedrag van € 400.000.= oftewel € 16.000.= per maand. Met dergelijke beloningen en secundaire arbeidsvoorwaarden spreek je wel degelijk over twee topfunctionarissen. Bovendien: als Pieter Cloo geen topfunctionaris zou zijn, hoe kan Opstelten hem dan op de hoogste ambtelijke positie hebben benoemd? Het lijkt er sterk op dat in dit geval politiek opportunisme het heeft gewonnen van de wettelijke afspraken die het huidige kabinet zelf heeft genomen teneinde de topsalarissen en de inhuur van externen sterk te versoberen. Of er hier sprake is van een wetsovertreding zal de rechter eventueel moeten uitmaken, of Opstelten hiermee politiek verwijtbaar gedrag heeft getoond is ter beoordeling aan het kabinet en de Tweede Kamer. En ten slotte is natuurlijk ook mogelijk dat Opstelten bij zichzelf te rade gaat en conclusies trekt.

De integriteit epidemie onder wethouders

Moord en brand wordt er geschreeuwd in de Nederlandse politiek. In de contreien van de gemeentepolitiek sneuvelen bestuurders (hoofdzakelijk wethouders) met bosjes door een ‘nieuw’ politiek geëngageerd super virus. Wethouders lijken in het bijzonder kwetsbaar te zijn voor het opkomende virus dat schuilgaat onder de naam ‘integriteit’. Naar aanleiding van de resultaten van het ‘Wethoudersonderzoek 2014’ werd er aan de bel getrokken. Uit het onderzoek blijkt dat vorig jaar negen wethouders (van de 27 opgestapte wethouders) ten val zijn gekomen door integriteitskwesties. Daarmee is niet-integer handelen en/of belangenverstrengeling de voornaamste reden geworden voor het vroegtijdig vertrek van een wethouder.

Als trouwe waakhond van de democratische rechtstaat bericht de gerespecteerde nieuwsvoorziening gretig over de nieuwe nr. 1 valfactor onder wethouders. In haar enthousiasme “vergeet” ze (echter) om toelichting te geven wat er onder het gevreesde begrip van integriteit verstaan mag worden en van een gedegen definitie ontbreekt elk spoor. Het vakblad Binnenlandsbestuur – nota bene de opdrachtgever van het Wethoudersonderzoek 2014 – komt in de berichtgeving naar buiten toe (dus los van het niet openbaar gestelde onderzoek) niet verder dan het opsommen van de integriteitskwesties waar wethouders meer of minder werden gedwongen om op te stappen. Waarom juist deze kwesties onder het containerbegrip integriteit vallen en anderen niet, wordt verder niet vermeld.

De gerespecteerde nieuwsvoorziening helpt de wethouder dan ook niet veel verder in het bestrijden van de integriteit epidemie. Met enige overdrijving stel ik me voor dat de radeloze wethouder (net als in een oorlogsfilm) een gevallen collega in zijn armen neemt en uitroept: “wat is deze vloek die zovelen van ons het onderspit doet delven en wat kunnen we doen dat het ons niet allemaal ten gronde brengt?”

Een reactie door Robbert-Jan Eekhout van integriteit.nl
Spijtig genoeg kan ik de kwetsbare wethouder geen wondermedicijn voorschrijven. Wel kan ik een poging doen om het fenomeen integriteit toe te lichten. Zodat de kwetsbare wethouder tenminste een idee heeft wat hem zo hard raakt. Maar waarschijnlijk beloof ik hiermee al te veel.

Twintig jaar terug werd integriteit gelijk gesteld aan fraude en corruptie. Het ondergesneeuwde integriteitsbegrip werd destijds nieuw leven ingeblazen door ‘de stof doen opwaaiende’ resultaten van de parlementaire enquête bouwsubsidies (1986-1988). Tegenwoordig wordt het integriteitsbegrip veel breder ingezet en gaat het ook om zaken als seksuele intimidatie, omgang vertrouwelijke informatie, het gebruik van social media, etc.
Hoe breder het begrip wordt ingezet des te meer onduidelijkheid hiermee gepaard gaat. Zo bestaat er zelfs onder de professionals (de dokters in ‘het integriteitsvak’) een geringe overeenstemming ten opzichte van het integriteitsbegrip. Dit is onder meer terug te zien aan de astronomische hoeveelheid integriteitsdefinities die rouleren. Desondanks zijn de integriteitsdefinities globaal in een zestal (goed te begrijpen) visies te verdelen[1]:

  1. Heelheid: De eerste visie vindt zijn grondslag in de oorspronkelijke betekenis van het woord: Integras (Latijn voor integriteit) betekent heelheid. Een persoon is heel als hij zich in zijn handelen laat leiden door zijn innerlijke drijfveren. ‘Je doet waar je voor staat’. ‘Je zegt wat je denkt en je doet wat je zegt’. 
  2. Professionele verantwoordelijkheid: de tweede visie ‘Professionele verantwoordelijkheid’ is een verdere (op professie gerichte) uitwerking van het denken in heelheid. Het gaat er in deze definitie om dat mensen bereid moeten zijn om hun verantwoordelijkheid overeenkomstig met hun functie en positie te aanvaarden. Een persoon is ‘heel’ wanneer hij doet waarvoor hij is aangesteld.

    Het nadeel van de met de nadruk op “doen wat je zegt’ en “zeggen wat je denkt” en ‘’doen waar je voor bent aangesteld’’ is het ontbreken van een morele maatstaf. Veel dictators en psychopaten, handelen ijzingwekkend consequent aan de eigen innerlijke drijfveren en zijn in het bijzonder taakbewust. De volgende vier visies hebben daarentegen (geheel op eigen wijze) wel zo’n maatstaf ingebouwd.

  3. Ideaal. Deze visie op integriteit verbindt integriteit aan een ideaalbeeld. Het begrip wordt gekoppeld aan het streven naar navolgenswaardige persoonskwaliteiten en standaarden. Voorbeelden van zulke ideaalbeelden zijn de ideaaltypen die kenmerkend zijn voor een cultuur en tijd; enkele voorbeelden zijn de geen angst kennende Spartaanse soldaat, de Engelse gentleman en de niet omkoopbare politieagent. 
  4. Eén waarde. De vierde visie ziet integriteit als één waarde te midden van andere waarden. Zo is in gedragscodes nogal eens een hoeveelheid waarden opgenomen waarvan integriteit er dan één van is. De medewerker moet eerlijk, betrouwbaar en integer zijn. Hoe wordt de waarde integriteit dan gezien? Als onkreukbaarheid. Het zien van integriteit in termen van de waarde onkreukbaarheid is de breedst gedragen visie ten opzichte van integriteit. Een mens is in deze visie integer als hij ongevoelig is voor oneigenlijke belangen (dus onkreukbaar is) en refereert naar een moreel minimum: je mag niet stelen, je moet onomkoopbaar zijn etc.
  5. Overeenstemming met regels en waarden. Je bent integer als je handelt conform de daarvoor uitsluitend (opgestelde/)gehanteerde regels en waarden. Deze aanpak suggereert dat er vrij duidelijke (formele) eenduidige waarden en regels zijn die integriteit omschrijven. Wanneer mensen deze waarden en regels volgen dan zijn ze integer. Een wethouder zou in deze visie integer zijn wanneer deze zich houdt aan de algemene beginselen van goed bestuur en/of de voor hem relevante gedragscodes.

  6. Overeenstemming met morele waarden en normen en regels. Deze definitie ziet integriteit in overeenstemming met de geldende morele normen, waarden en regels. Integriteit staat in deze visie voor wat moreel door de beugel kan en dit is breder dan alleen de regels binnen de organisatie ten opzichte van integriteit. Derhalve moet ook het moraal van het (relevante) publiek (lees: de samenleving, het bedrijfsleven, personen etc.) worden meegenomen in een (integer) oordeel.

Wat deze visies met elkaar gemeen hebben – en niet meewerkt aan de eenduidigheid van integriteitsbegrip – is dat ze allemaal context gebonden zijn. Dus wat de normen, waarden, verantwoordelijkheden, idealen, regels zijn waar de integriteitsvisies naar refereren is afhankelijk van de context waar een persoon zich in bevindt. Een (wat simplistisch) voorbeeld ter illustratie: Wanneer een bouwvakker zijn waardering over het uiterlijk van een mooie vrouw die passeert luidkeels duidelijk maakt, dan kan dit binnen de bouwvakkerscultuur worden opgevangen als solidariteit naar zijn collega’s, echter wanneer een politicus dit doet dan is het hoogst ongepast. Wat we dan of wel of niet integer vinden is sterk gebonden aan de context waarin we ons bevinden.

De tip die ik een wethouder wil meegeven is zichzelf kritisch af te vragen wat integriteit voor hem of haar (in de relevante context) betekent. In het beantwoorden van deze vraag kunnen de eerder opgesomde integriteitsvisies faciliteren: 

  • handel ik conform mijn innerlijk drijfveren, sta ik voor wat ik doe (Heelheid);
  • wat zijn mijn verantwoordelijkheden en welke valkuilen gaan hiermee gepaard (Professionele verantwoordelijkheid);
  • welke idealen vind ik nastreefwaardig (Ideaal);
  • welke oneigenlijke belangen/verleidingen moet ik het hoofd bieden (Waarde/Onkreukbaarheid);
  • welke formele waarden en regels moet ik respecteren (Waarden en regels);
  • wat zijn de belangrijke morele normen, waarden en welke spelregels hangen daaraan vast en/of hoe zou de publieke opinie mijn handelen bestempelen (Morele normen, waarden en regels)?

Kom je er zelf niet uit of ben je niet helemaal zeker van je zaak, ga dan met open vizier de dialoog aan met je collega-wethouders of burgemeester (belanghebbenden). Alleen door met hen in gesprek te treden kunnen de vaak nog wat vage algemeen geldende (morele) normen en waarden vertaald worden naar concrete gedragslijnen/-alternatieven. Integriteit vraagt om een actieve en kritisch (zelf)onderzoekende houding. Dit is geen (onzinnige) bijzaak: Want het gevaar ligt op de loer dat, wanneer je de aandacht laat verslappen ten opzichte van integriteit, je de volgende wethouder bent waar we over lezen in de krant!

[1] Huberts, L.W.J.C. (2005). Integriteit en Integritisme in Bestuur en Samenleving. Amsterdam: Vrije Universiteit, pp. 6-10.

VVD-kamerlid Verheijen overtrad als gedeputeerde integriteitsregels

Het Limburgse Tweede Kamerlid Mark Verheijen heeft als gedeputeerde van de provincie in 2011 en 2012 enkele duizenden euro’s ten onrechte gedeclareerd. Dat blijkt uit onderzoek van NRC-Handelsblad. Privé-uitgaven, kosten die hij maakte voor de VVD-campagne en als lid van het landelijk bestuur, bracht hij in rekening bij de provincie in strijd met geldende gedragscodes en declaratieregels.

Zo stelt de Gedragscode Bestuurlijke Integriteit van de provincie Limburg: “Uitgaven worden uitsluitend vergoed als vaststaat, dat zij in het belang zijn van de provincie en voortvloeien uit de aard van de functie als bestuurder.” Maar Verheijen gebruikte de provinciale dienstauto met chauffeur, declareerde de kilometers van zijn privéauto of gebruikte het eersteklas-treinabonnement van de provincie geregeld voor zijn VVD-activiteiten. Ook hotelovernachtingen en verblijfskosten als aankomend Kamerlid declareerde hij ten onrechte bij de provincie. Verheijen liet ook de provincie meebetalen aan zijn campagne voor de Kamerverkiezingen en zijn bijbaan als lid van de raad van toezicht van Prodemos – Huis voor democratie en rechtstaat. Daarmee overtrad hij meermalen de Gedragscode Bestuurlijke Integriteit waar staat: “De bestuurder declareert geen kosten die reeds op andere wijze worden vergoed.”

Dan is er ook nog de Modelgedragscode Politiek Ambtsdragers die onder meer is opgesteld door het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daarin de zinsnede: “Van politiek ambtsdragers mag een zekere soberheid worden verwacht. Hoe het ook wordt vergoed, het gaat immers steeds om besteding van publieke middelen. De politiek ambtsdrager heeft ook een voorbeeldfunctie.” Dat valt moeilijk te rijmen met een gebeurtenis uit 2012. Op 5 juni gaat een gezelschap van vijftien personen dineren in een gerenommeerd restaurant in Amsterdam, onder wie Mark Verheijen en de inmiddels in opspraak geraakte (ex-)VVD-wethouder Jos van Rey en projectontwikkelaar Piet van Pol. Gezamenlijk geven zij 2.631 euro uit, hetgeen neerkomt op 175 euro per persoon. Een kwart van het totaalbedrag declareert Verheijen later bij de provincie, zonder dat hij duidelijk kon maken  dat het diner een Limburgs belang diende.

Verheijen erkent een aantal keer onjuist gedeclareerd te hebben en zegt het geld terug te zullen betalen. “Ik ben een politicus, geen heilige. Ik ben niet feilloos”, aldus zijn reactie op de aantijgingen. “Het raakt mij, maar het breekt mij niet.”

Reactie Job de Haan van Integriteit.nl
De kwestie Verheijen roept nogal wat vragen op. De VVD begon zo goed toen het hoofdbestuur in 2013 een Permanente Commissie Integriteit instelde, die meldingen over mogelijke integriteitsschendingen moest behandelen. Daarbij werden strengere regels opgelegd om het integriteitsbesef van haar politieke vertegenwoordigers ‘nog beter’ te waarborgen. Het lag dus voor de hand de ‘kwestie Verheijen’ voor te leggen aan deze commissie die vervolgens in alle vrijheid een oordeel had kunnen vellen. Maar het nieuws was nog niet bekend of fractievoorzitter Halbe Zijlstra en – heel ongewoon – premier Rutte namen Verheijen direct in bescherming door te stellen dat de zaak was ‘opgeblazen’. Daarmee wekten zij de indruk dat integriteit bij de VVD hoog in het vaandel staat, behalve als het politiek gezien slecht uitkomt. Immers, de campagne voor de Provinciale verkiezingen van volgende maand draait volop en Rutte heeft zijn kabinetsbeleid tot inzet van die verkiezingen gemaakt.

Dan komt een rel rond een prominent Limburgs kamerlid zeer ongelegen, waardoor de interventie vanuit de VVD-top lijkt op ‘damage control’. Ook het commentaar van het kamerlid zelf is opvallend. Hij verdedigt zich door te stellen dat hij ‘politicus is, geen heilige’ en ook ‘niet feilloos’. Maar integriteit dwingt niemand om perfect en foutloos te handelen, geen mens zou daar aan kunnen voldoen. Maar Verheijen liet een steeds terugkerend patroon zien, waarbij zijn integriteit wel degelijk in het geding was: hij profiteerde ruimschoots en in vele gevallen ten onrechte van de secundaire arbeidsvoorwaarden van een gedeputeerde en hij overtrad daarbij meermalen de regels. Zelf noemde hij zijn slordigheden “gewoon stom”, maar even duidelijk is dat van die slordigheden er niet één in zijn nadeel uitviel. Ook op het punt van de vereiste soberheid schoot Verheijen keer op keer tekort, waarvan het gememoreerde diner een treffend voorbeeld is. Daar komt nog bij dat onder de twee kabinetten van VVD-premier Rutte er voor de burger steeds strenger geworden maatregelen zijn geïntroduceerd, die bij overtreding hard worden bestraft. Wie een boete te laat betaalt, krijgt prompt een scherpe verhoging voor de kiezen en wie als uitkeringsgerechtigde ‘niet feilloos’ met de regels omgaat, staat zware sancties te wachten. Als een politieke partij dat voor zijn rekening neemt, zullen haar vertegenwoordigers zelf het goede voorbeeld moeten geven.

PS: Inmiddels heeft Mark Verheijen zich door protesten vanuit de partij genoodzaakt gezien zijn declaraties als gedeputeerde alsnog te laten onderzoeken door de Permanente Commissie Integriteit van de VVD.

Bovenop dat onderzoek is er nu ook tegen Verheijen aangifte gedaan wegens corruptie tijdens zijn wethouderschap in Venlo. Daarop heeft hij zijn werkzaamheden als Kamerlid opgeschort in afwachting van wat de Integriteitscommissie van de VVD concludeert over zijn declaraties en wat het Openbaar Ministerie besluit over de aangifte.

De eed van Ede

 “…Ik zet me er voor in om geen schaduw te werpen op het leven van een kind, maar integer te handelen.” Deze passage komt uit de gelofte die toekomstige basisschoolleraren bij hun afstuderen afleggen als het aan de Christelijke Hogeschool Ede ligt. Daarmee treedt men als eerste in de voetsporen van ambtenaren met hun ambtseed en artsen met hun eed van Hippocrates.

‘Ik beloof als leraar basisonderwijs mijn ervaringen en talenten zegenrijk in te zetten voor het ontsluiten van de talenten van leerlingen.’ Opleidingsdirecteur Emile van Velsen zal komende zomer deze zin voor het eerst uitspreken in de Oude Kerk in Ede, bij de uitreiking van de diploma’s. De 150 afgestudeerden van de Pabo zullen de woorden in koor herhalen en vervolgens de rest van de eed (pdf) hardop voorlezen. De Hogeschool beschouwt de gelofte als ‘een waardige afsluiting van de opleiding’, maar zij is niet verplicht en heeft ook geen juridische status. Van Velsen hoopt dat ook andere lerarenopleidingen dit voorbeeld gaan volgen.

Hoewel de Hogeschool de primeur heeft, is het idee voor een lerareneed niet nieuw. In 2007 stelde de Onderwijsraad al een soortgelijke gelofte (pdf) op ‘als sluitstuk van professionalisering en het signaal dat de leraar onderdeel is van een instituut waar waarden een centrale plaats innemen’. In het werkveld wordt positief gereageerd op het initiatief uit Ede. De Onderwijscorporatie, waarin de landelijke lerarenorganisaties zijn verenigd, vinden dat een dergelijke eed grote symbolische waarde heeft. Voorzitter Kentson: “Met zo’n eed spreek je hardop uit dat je de beroepsstandaard belangrijk vindt die we net de beroepsgroep hebben ontwikkeld. Hij is tevreden over het feit dat in de eed van Ede zowel aandacht is voor ethiek als voor vakmanschap.

Reactie Job de Haan van Integriteit.nl
Hoe sympathiek het initiatief ook is, het is nog maar helemaal de vraag of het navolging zal hebben. Na een soortgelijk voorstel van de Onderwijsraad in 2007 is er zeven jaar niets mee gedaan. Verder is het afleggen van de eed geheel vrijwillig en worden er geen consequenties aan verbonden. Dat geeft de gelofte wel een erg vrijblijvend karakter. Bovendien heeft de Hogeschool Ede de tekst een christelijke draai aan gegeven door bijvoorbeeld het woord ‘zegenrijk’ erin op te nemen. Daarmee maak je de eed slechts bruikbaar voor een deel van de lerarenopleidingen. Aan de andere kant is het misschien een prikkel voor andere opleidingen en onderwijsorganisaties actie in dezelfde richting te ondernemen.

 

Twitter / Facebook

Om op de hoogte te blijven van integriteit in het nieuws en mee te praten over het onderwerp kunt u ons volgen op Twitter via @integriteitnl of like onze Facebookpagina.

Contact

© 2018 Integriteit.nl