Bankierseed: stimulans of wassen neus?

Beursvloer Amsterdam, vanmorgen 9 uur. Met een gongslag luidt de voorzitter van de Stichting Tuchtrecht Banken de gedragscode voor bankiers in. Vanaf vandaag zijn circa 90.000 bankmedewerkers verplicht om een eed af te leggen waardoor ze gebonden zijn aan het naleven van de bijbehorende gedragsregels. De bankierseed is in het leven geroepen om het vertrouwen in de financiële sector te herstellen.
Naast het ondertekenen van het formulier legt de bankmedewerker ook daadwerkelijk de eed af tijdens een door de werkgever speciaal belegde bijeenkomst. Belangrijkste beloften zijn: “Dat ik mijn functie integer en zorgvuldig zal uitoefenen. Dat ik een zorgvuldige afweging maak tussen de belangen van alle partijen die bij de onderneming zijn betrokken: de klanten, de aandeel-houders, de werknemers en de samenleving waarin de onderneming opereert. Dat ik in die afweging het belang van de klant centraal zal stellen.” Aan de bankierseed is – net als bijvoorbeeld voor medici – een gedragscode verbonden. Daarin staat de feitelijke invulling van wat in de eed is beloofd. Dan gaat het over het voorkomen van (de schijn van) belangenverstrengeling en de manier waarop de belangen van de klant centraal staan. Die belangen zijn dat zij zo goed mogelijk en helder geïnformeerd worden over producten en de (mogelijk onverantwoorde) risico’s ervan. Overtredingen van de gedragscode kunnen worden gemeld bij de Stichting Tuchtrecht Banken, die bij geconstateerde overtreding medewerkers kan straffen met sancties die variëren van een berisping tot een beroepsverbod van drie jaar.
Het nut van de nieuwe eed is omstreden. Voorstanders wijzen erop dat het een goed instrument is tot gedrags-verandering. Dat heet ‘nudging’: een duwtje in de ‘goede’ richting geven. Ook is gebleken dat een publiekelijk afgelegde verklaring de kans verhoogt dat deze persoon zich zal gedragen naar de inhoud van de verklaring die hij of zij heeft afgelegd. Tegenstanders, zoals de consumentenstichting Geldbelangen, vinden dat de tekst van de eed boterzacht is, omdat de medewerker weliswaar de klant centraal moet stellen, maar vooral ook de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar moet afwegen. En als – niet ondenkbaar – de uitkomst is dat in die afweging het belang van de bank de voorrang krijgt dan zal de leiding daar toch moeilijk bezwaar tegen hebben. Ook de Raad van State bracht een negatief advies uit. De raad vindt de eed een ‘oneigenlijk instrument’, omdat medewerkers van een bank geen eindverantwoordelijkheid dragen. Die ligt namelijk ligt bij het bestuur, die de naleving van normbesef vervolgens moet verzekeren via het arbeids-contract. Het kabinet heeft dat advies indertijd niet overgenomen.

Reactie Job de Haan van Integriteit.nl:
Het is lastig beoordelen wie van beide partijen gelijk heeft: de voorvechters van de eed of de sceptici. Voor beide standpunten zijn argumenten aan te voeren die hout snijden. De voorstanders wijzen erop dat het blazoen van de bancaire sector zo geschonden is dat er een weids gebaar moet worden gemaakt om het vertrouwen vanuit de samenleving weer te verdienen. Ook het feit dat een medewerker een eed aflegt en daarop vanaf nu te allen tijde persoonlijk aanspreekbaar is, zal in ieder geval het bewustzijn over integer, eerlijk en transparant handelen vergroten. Bovendien zal hij zich wel twee keer bedenken om zich niet aan de gedragscode te houden, in het besef dat er concrete en, bij ernstige overtredingen, vergaande consequenties aan verbonden zijn. De sceptici voeren aan dat de tekst van de eed en de gedragscode een waterig compromis is tussen wat het kabinet wilde en wat de banken voor hun rekening wilden nemen. Er wordt weliswaar gesteld dat het belang van de klant centraal staat, maar daaraan vooraf gaat dat de medewerker de belangen van alle betrokkenen moet afwegen. Dat levert in de praktijk de situatie op dat de werknemer die door zijn werkgever wordt betaald niet gemakkelijk tegen het belang van diezelfde werkgever in zal gaan op straffe van een negatieve beoordeling. Ook het argument van de Raad van State dat de eindverantwoordelijkheid bij de leiding van een bank ligt is valide. Overigens heeft de top van de banken al langer geleden de bankierseed afgelegd. Verder kun je je afvragen of het afleggen van een beroepseed niet inflatoir wordt wanneer je die laat afleggen door maar liefst 90.000 werknemers, van manager sales tot loketbediende. Paul Frentrop, bestuurder van het Nederlands Governance Genootschap, verzuchtte in dat verband:Wat is de volgende sector die na schandalen onder tuchtrecht zal worden geplaatst? De vleesverwerkende industrie? De aannemerij? Zo waarlijk helpe mij God almachtig.” Wat mijzelf verder in de meldings- en tuchtprocedure opviel was dat nergens aan de werknemer die een collega aanmeldt voor een overtreding, beloofd wordt dat die melding desgewenst anoniem gedaan kan worden. Dat werpt een extra barrière op om actie te ondernemen, omdat betrokken medewerker, als de melding bekend wordt, op de werkvloer het risico loopt als “matennaaier” te worden aangemerkt. Blijft dus de vraag: Wie heeft er gelijk? Dat zal uiteindelijk de praktijk moeten uitwijzen.