De integriteit epidemie onder wethouders

Moord en brand wordt er geschreeuwd in de Nederlandse politiek. In de contreien van de gemeentepolitiek sneuvelen bestuurders (hoofdzakelijk wethouders) met bosjes door een ‘nieuw’ politiek geëngageerd super virus. Wethouders lijken in het bijzonder kwetsbaar te zijn voor het opkomende virus dat schuilgaat onder de naam ‘integriteit’. Naar aanleiding van de resultaten van het ‘Wethoudersonderzoek 2014’ werd er aan de bel getrokken. Uit het onderzoek blijkt dat vorig jaar negen wethouders (van de 27 opgestapte wethouders) ten val zijn gekomen door integriteitskwesties. Daarmee is niet-integer handelen en/of belangenverstrengeling de voornaamste reden geworden voor het vroegtijdig vertrek van een wethouder.

Als trouwe waakhond van de democratische rechtstaat bericht de gerespecteerde nieuwsvoorziening gretig over de nieuwe nr. 1 valfactor onder wethouders. In haar enthousiasme “vergeet” ze (echter) om toelichting te geven wat er onder het gevreesde begrip van integriteit verstaan mag worden en van een gedegen definitie ontbreekt elk spoor. Het vakblad Binnenlandsbestuur – nota bene de opdrachtgever van het Wethoudersonderzoek 2014 – komt in de berichtgeving naar buiten toe (dus los van het niet openbaar gestelde onderzoek) niet verder dan het opsommen van de integriteitskwesties waar wethouders meer of minder werden gedwongen om op te stappen. Waarom juist deze kwesties onder het containerbegrip integriteit vallen en anderen niet, wordt verder niet vermeld.

De gerespecteerde nieuwsvoorziening helpt de wethouder dan ook niet veel verder in het bestrijden van de integriteit epidemie. Met enige overdrijving stel ik me voor dat de radeloze wethouder (net als in een oorlogsfilm) een gevallen collega in zijn armen neemt en uitroept: “wat is deze vloek die zovelen van ons het onderspit doet delven en wat kunnen we doen dat het ons niet allemaal ten gronde brengt?”

Een reactie door Robbert-Jan Eekhout van integriteit.nl
Spijtig genoeg kan ik de kwetsbare wethouder geen wondermedicijn voorschrijven. Wel kan ik een poging doen om het fenomeen integriteit toe te lichten. Zodat de kwetsbare wethouder tenminste een idee heeft wat hem zo hard raakt. Maar waarschijnlijk beloof ik hiermee al te veel.

Twintig jaar terug werd integriteit gelijk gesteld aan fraude en corruptie. Het ondergesneeuwde integriteitsbegrip werd destijds nieuw leven ingeblazen door ‘de stof doen opwaaiende’ resultaten van de parlementaire enquête bouwsubsidies (1986-1988). Tegenwoordig wordt het integriteitsbegrip veel breder ingezet en gaat het ook om zaken als seksuele intimidatie, omgang vertrouwelijke informatie, het gebruik van social media, etc.
Hoe breder het begrip wordt ingezet des te meer onduidelijkheid hiermee gepaard gaat. Zo bestaat er zelfs onder de professionals (de dokters in ‘het integriteitsvak’) een geringe overeenstemming ten opzichte van het integriteitsbegrip. Dit is onder meer terug te zien aan de astronomische hoeveelheid integriteitsdefinities die rouleren. Desondanks zijn de integriteitsdefinities globaal in een zestal (goed te begrijpen) visies te verdelen[1]:

  1. Heelheid: De eerste visie vindt zijn grondslag in de oorspronkelijke betekenis van het woord: Integras (Latijn voor integriteit) betekent heelheid. Een persoon is heel als hij zich in zijn handelen laat leiden door zijn innerlijke drijfveren. ‘Je doet waar je voor staat’. ‘Je zegt wat je denkt en je doet wat je zegt’. 
  2. Professionele verantwoordelijkheid: de tweede visie ‘Professionele verantwoordelijkheid’ is een verdere (op professie gerichte) uitwerking van het denken in heelheid. Het gaat er in deze definitie om dat mensen bereid moeten zijn om hun verantwoordelijkheid overeenkomstig met hun functie en positie te aanvaarden. Een persoon is ‘heel’ wanneer hij doet waarvoor hij is aangesteld.

    Het nadeel van de met de nadruk op “doen wat je zegt’ en “zeggen wat je denkt” en ‘’doen waar je voor bent aangesteld’’ is het ontbreken van een morele maatstaf. Veel dictators en psychopaten, handelen ijzingwekkend consequent aan de eigen innerlijke drijfveren en zijn in het bijzonder taakbewust. De volgende vier visies hebben daarentegen (geheel op eigen wijze) wel zo’n maatstaf ingebouwd.

  3. Ideaal. Deze visie op integriteit verbindt integriteit aan een ideaalbeeld. Het begrip wordt gekoppeld aan het streven naar navolgenswaardige persoonskwaliteiten en standaarden. Voorbeelden van zulke ideaalbeelden zijn de ideaaltypen die kenmerkend zijn voor een cultuur en tijd; enkele voorbeelden zijn de geen angst kennende Spartaanse soldaat, de Engelse gentleman en de niet omkoopbare politieagent. 
  4. Eén waarde. De vierde visie ziet integriteit als één waarde te midden van andere waarden. Zo is in gedragscodes nogal eens een hoeveelheid waarden opgenomen waarvan integriteit er dan één van is. De medewerker moet eerlijk, betrouwbaar en integer zijn. Hoe wordt de waarde integriteit dan gezien? Als onkreukbaarheid. Het zien van integriteit in termen van de waarde onkreukbaarheid is de breedst gedragen visie ten opzichte van integriteit. Een mens is in deze visie integer als hij ongevoelig is voor oneigenlijke belangen (dus onkreukbaar is) en refereert naar een moreel minimum: je mag niet stelen, je moet onomkoopbaar zijn etc.
  5. Overeenstemming met regels en waarden. Je bent integer als je handelt conform de daarvoor uitsluitend (opgestelde/)gehanteerde regels en waarden. Deze aanpak suggereert dat er vrij duidelijke (formele) eenduidige waarden en regels zijn die integriteit omschrijven. Wanneer mensen deze waarden en regels volgen dan zijn ze integer. Een wethouder zou in deze visie integer zijn wanneer deze zich houdt aan de algemene beginselen van goed bestuur en/of de voor hem relevante gedragscodes.

  6. Overeenstemming met morele waarden en normen en regels. Deze definitie ziet integriteit in overeenstemming met de geldende morele normen, waarden en regels. Integriteit staat in deze visie voor wat moreel door de beugel kan en dit is breder dan alleen de regels binnen de organisatie ten opzichte van integriteit. Derhalve moet ook het moraal van het (relevante) publiek (lees: de samenleving, het bedrijfsleven, personen etc.) worden meegenomen in een (integer) oordeel.

Wat deze visies met elkaar gemeen hebben – en niet meewerkt aan de eenduidigheid van integriteitsbegrip – is dat ze allemaal context gebonden zijn. Dus wat de normen, waarden, verantwoordelijkheden, idealen, regels zijn waar de integriteitsvisies naar refereren is afhankelijk van de context waar een persoon zich in bevindt. Een (wat simplistisch) voorbeeld ter illustratie: Wanneer een bouwvakker zijn waardering over het uiterlijk van een mooie vrouw die passeert luidkeels duidelijk maakt, dan kan dit binnen de bouwvakkerscultuur worden opgevangen als solidariteit naar zijn collega’s, echter wanneer een politicus dit doet dan is het hoogst ongepast. Wat we dan of wel of niet integer vinden is sterk gebonden aan de context waarin we ons bevinden.

De tip die ik een wethouder wil meegeven is zichzelf kritisch af te vragen wat integriteit voor hem of haar (in de relevante context) betekent. In het beantwoorden van deze vraag kunnen de eerder opgesomde integriteitsvisies faciliteren: 

  • handel ik conform mijn innerlijk drijfveren, sta ik voor wat ik doe (Heelheid);
  • wat zijn mijn verantwoordelijkheden en welke valkuilen gaan hiermee gepaard (Professionele verantwoordelijkheid);
  • welke idealen vind ik nastreefwaardig (Ideaal);
  • welke oneigenlijke belangen/verleidingen moet ik het hoofd bieden (Waarde/Onkreukbaarheid);
  • welke formele waarden en regels moet ik respecteren (Waarden en regels);
  • wat zijn de belangrijke morele normen, waarden en welke spelregels hangen daaraan vast en/of hoe zou de publieke opinie mijn handelen bestempelen (Morele normen, waarden en regels)?

Kom je er zelf niet uit of ben je niet helemaal zeker van je zaak, ga dan met open vizier de dialoog aan met je collega-wethouders of burgemeester (belanghebbenden). Alleen door met hen in gesprek te treden kunnen de vaak nog wat vage algemeen geldende (morele) normen en waarden vertaald worden naar concrete gedragslijnen/-alternatieven. Integriteit vraagt om een actieve en kritisch (zelf)onderzoekende houding. Dit is geen (onzinnige) bijzaak: Want het gevaar ligt op de loer dat, wanneer je de aandacht laat verslappen ten opzichte van integriteit, je de volgende wethouder bent waar we over lezen in de krant!

[1] Huberts, L.W.J.C. (2005). Integriteit en Integritisme in Bestuur en Samenleving. Amsterdam: Vrije Universiteit, pp. 6-10.