Eerste Kamer gaat eigen integriteitsregels aanscherpen

Als het aan de Tijdelijke commissie uitwerking gedragscode integriteit ligt, gaat de Eerste Kamer zichzelf strenger controleren. Deze commissie, bestaande uit acht senatoren uit zowel de regerings-coalitie als de oppositie, heeft vandaag haar voorstellen naar buiten gebracht. De aanscherping van de regels vindt plaats door de huidige gedragscode dwingender te formuleren en het minder vrij-blijvende karakter eruit te halen. Want veel van de interpretatie en de uitvoering van wat op papier staat, wordt nu nog overgelaten aan de Kamerfracties zelf. De commissie stelt dat het wenselijk en mogelijk is om een fractie-overstijgende code op te stellen en is daar zelf in geslaagd. Belangrijkste wijziging en toevoeging betreft dat, anders dan momenteel, ook de schijn van belangenverstrengeling moet worden vermeden. Verder pleit men ervoor om concrete richtlijnen op te stellen voor de omgang met lobbyisten.

Naast die schijn van belangen-verstrengeling dienen de Kamerleden in de commissie- of plenaire vergaderingen de belangen te noemen die in de context van de behandeling van het onderwerp dat aan de orde is, logisch gesproken relevant kunnen zijn. Dat hiervoor alle reden is bleek onlangs uit een inventarisatie van de Volkskrant waaruit bleek dat de de 75 senatoren in de vorige zittingsperiode 675 keer stemden over een wetsvoorstel waarbij ze zelf betrokken waren vanwege hun (bij)baan.  Verder vindt de commissie dat de aanbevelingen van het Europese anti-corruptieorgaan GRECO, inzake de omgang met lobbyisten moet worden overgenomen. Lobbyisten hebben nu nog grotendeels vrij spel en er bestaan geen regels om te voorkomen dat ex-kabinetsleden aan de slag gaan in de sector waarover zij vlak daarvoor de scepter zwaaiden. Een recent voor-beeld is voormalig staatssecretaris van Volksgezondheid Martin van Rijn, die na Rutte II de baas werd van een groep van drie grote ziekenhuizen in Zuid-Holland.

Verder: nu nog is het zo dat Kamer-leden hun nevenfuncties bekend maken, maar zij moeten straks ook veel gedetailleerder omschrijving geven van de inhoud ervan en ook wordt dan verplicht om aan te geven of zij er al dan niet voor betaald worden. Er wordt ook een geheel nieuw artikel voor-gesteld om in de code op te nemen waarbij een apart orgaan binnen de Kamer in het leven wordt geroepen. Op dit moment geldt al een systeem van onderling toezicht binnen de fracties en tussen de fracties onderling. Dat nieuwe orgaan zou formeel oordelen moeten gaan aangeven over de naleving en interpretatie van de gedragscode. In het verlengde daarvan pleit men ook voor de aanstelling van een onafhankelijke vertrouwens-persoon die advies kan geven over integriteitskwesties. Deze persoon moet onafhankelijk zijn en, zo vindt de commissie, daarom is het verstandig vast te leggen dat de vertrouwens-persoon geen lid van de Kamer is (of werkzaam bij de griffie van de Kamer). Deze man of vrouw kan dan door alle Kamerleden geraadpleegd worden, inclusief de Kamervoorzitter die tot nu toe deze vertrouwensfunctie als toezichthoudende taak had, volgens het nog geldende Huishoudelijk Reglement.

Met een eigen gedragscode voor alle senatoren hoopt de huidige en nieuwe Eerste Kamer een einde te maken aan terugkerende kritiek op ‘dubbele petten’ en gebrek aan transparantie. Ook krijgt de Eerste Kamer al jaren vanuit de Raad van Europa het verwijt dat de bestaande gedragsregels te vrijblijvend zijn. De code gaat minder ver dan sommige linkse partijen hadden gewild. Maar een gezamenlijke code “is een stap vooruit”, aldus GroenLinks-fractievoorzitter Tineke Strik. Zo was de PVV een paar maanden geleden nog mordicus tegen, maar is nu om. De partij van Geert Wilders was één van de aanbieders van de ontwerp-gedragscode. Eind deze maand spreekt het College van Senatoren over het voorstel en het gewenste moment voor invoering van de Gedragscode. Daarna dient de Kamer als geheel er nog een besluit over te nemen.

Job de Haan, nieuwsredacteur Integriteit.nl

Non-integer 2018 : VVD stijf op plaats één, PVV volgt op twee met stip

Het begint eentonig te worden, maar opnieuw voert de VVD de jaarlijkse lijst aan met schandalen, zo blijkt uit de Politieke Integriteits-Index over 2018. Maar de PVV heeft niet stil gezeten en komt eraan. Sinds de start van de index in 2013 voert de VVD voor het zesde opeenvolgende jaar de lijst. En ook in 2018 leveren de liberalen niet alleen de meeste, maar ook de meest ernstige affaires. Twaalf in totaal. Meest prominente en in het oog springende kwesties waren het afgelopen jaar het gedwongen aftreden van Halbe Zijlstra, minister van Buitenlandse Zaken en het Tweede Kamerlid en buitenland-specialist: Han ten Broeke.
Voor ‘t eerst op de tweede plaats komt nu de PVV met de meeste affaires in 2018, namelijk zes. Volgens de onderzoekers zijn dat er ‘opvallend veel voor een partij die slechts in een klein aantal gemeenten meedeed aan de gemeenteraads-verkiezingen’. De problemen komen volgens hoogleraar integriteit Leo Hubers vooral door de screening: “Het probleem bij de PVV is dat ze geen leden hebben. In een normale partij kennen de leden elkaar en onder-zoeken en controleren ze het functioneren van collega’s. Maar bij de PVV komen ze op een lijst zonder dat ze weten wie iemand echt is”, aldus Hubers. Daardoor is er volgens hem te weinig zelfreinigend vermogen. En dan komen de verrassingen als ze al op de lijst staan.

Toch verdient deze scorelijst enige nuancering, want we hebben het hier over de politieke partijen die in de Tweede en Eerste Kamer vertegenwoordigd zijn. Immers, uiteindelijk is het niet de landelijke, maar de lokale politiek waar de meeste politieke affaires voorkomen. Die partijen veroorzaakten samen de meeste affaires: zestien bij elkaar. Dat leverde een totaal op van 52 affaires, een stijging ten opzichte van de 39 zaken in 2017 en de 47 van 2016. Verder spelen 45 van de 52 schendingen zich af in de gemeente- of in de provinciale politiek. Daarbij zijn de provincies Noord-Brabant en Noord-Holland de grootste leveranciers van affaires. Uit de PI-index 2018 komt een aantal duidelijke patronen naar voren: de meeste integriteitsschendingen kwamen voor in de vrije tijd, diverse politici maakten verbale uitglijders of struikelden over verstrengelde belangen, de PVV had relatief veel affaires te verstouwen, en de VVD kreeg wederom de meeste kruisjes achter haar naam.

1. Wangedrag in de vrije tijd: drank, drugs en fraude.
Van alle soorten integriteits-schendingen – zoals corruptie, misbruik van informatie en fraude – vormt wangedrag in de vrije tijd al sinds het begin van de PI-index de grootste categorie, met dit jaar 23 affaires. Vaak gaat het om omstreden tweets, seksueel wangedrag of om drankgebruik.
2. Verbale uitglijders, bijvoorbeeld in tweets.
Het meest bizarre vertrek van 2018 staat op naam van Tjeerd Herrema, PvdA-wethouder in Almere. Deze struikelde over wat is gaan heten een ‘broekzakgesprek’ met de mobiele telefoon op een WC, waarmee hij een lokale journalist in verlegenheid bracht. 3. Belangenverstrengeling via nevenfuncties.
Dat de Eerste en Tweede Kamer geen gedragsregels voor zichzelf hebben opgesteld, levert geregeld problemen op. Niet alleen bij ontvangen geschenken (zie het appartement van Pechtold) maar ook bij nevenfuncties. Twee VVD-ers, een PvdA-er en een van GroenLinks moesten om die reden aftreden of die nevenfunctie opgeven.
4. PVV screent kandidaten nog steeds onvoldoende.
De PVV zag zich in 2018 geconfronteerd met zes schandalen, opvallend veel voor een partij die slechts in een beperkt aantal gemeenten meedeed aan de raadsverkiezingen. Het deed denken aan het onstuimige jaar 2010, toen de partij 24 zetels haalde en verschillende Kamerleden in opspraak raakten – denk aan Eric Lucassen (‘brievenbuspisser’), Marcial Hernandez (vechtpartij) en James
‘pornobaron’ Sharpe.
5. De voortdurende problemen bij de VVD.
De VVD heeft al sinds de eerste Politieke Integriteitsindex, in 2013, ieder jaar de meeste affaires. Het jaar 2018 was met twaalf affaires geen uitzondering. Daarbij waren het ook zware zaken, die vaak uitgebreid in het nieuws kwamen. De VVD verloor een minister na liegen (Halbe Zijlstra), twee burgemeesters door wangedrag (Fons Hertog wegens ‘grensoverschrijdend gedrag’ tegenover ambtenaren en Stefan Huisman wegens overmatig alcoholgebruik op een borrel, terwijl hij piketdienst had) en een Kamerlid door een ‘ongelijkwaardige relatie’ (Han ten Broeke). Verder was er nog zittend Kamerlid Wybren van Haga die al sinds vorig jaar in opspraak is omdat hij als huisbaas huurregels overtreedt.

Ook over de gehele looptijd van de Politieke Integriteitsindex, van 1980 tot 2018, staat de VVD met 131 affaires bovenaan, ver boven de aantallen van de andere grote partijen: 80 bij de PvdA en 90 bij het CDA. De VVD heeft zich in het verleden vaak verzet tegen het beeld dat de partij niet integer zou zijn. Het valt moeilijk meer te ontkennen dat de VVD écht meer affaires veroorzaakt, dat ze vaak ook ernstiger zijn dan bij andere partijen en dat het een hardnekkig probleem betreft. Sinds 2008 zijn er maar liefst 29 VVD’ers met het strafrecht in aanraking gekomen, onder wie drie in 2018.

Een analyse van het probleem is te vinden bij Frank de Grave. Deze partijprominent wijdt er in zijn boek Grote jongen zijn een heel hoofdstuk aan, onder de veelzeggende kop: ‘Hoe het komt dat de VVD op het gebied van integriteit zo vaak het spoor bijster is.’ De Grave stelt: ‘Waar macht en ronkend zelfvertrouwen samenkomen, gaan dingen mis’. En hij vervolgt: ‘De VVD en het grote geld zijn bloed-broeders. De cultuur op dit punt is in de VVD wat minder scherp afgesteld. (…) Als je je leven lang in het bedrijfs-leven hebt gewerkt met de relatief losse waarden en normen die daar bestaan, dan is het ook weer niet zo vreemd dat je de regels wat ruimer neemt dan elders misschien gebruikelijk is.’ Een derde verklaring luidt volgens De Grave: “VVD-ers zijn doeners. Daardoor komen ze vaak terecht op portefeuilles die gevoelig zijn voor belangenverstrengeling. Ze zitten op Economische Zaken en Financiën, ze doen projectontwikkeling, ze hebben infrastructuur in hun portefeuille, ze hebben kortom wat te besteden. Dat maakt de risico’s groter.’

Job de Haan, nieuwsredacteur Integriteit.nl

Business Card (ingestuurde brief)

Een aantal keren reizen met de trein, een enkele keer met de bus, veel meer was het niet. Privé wel te verstaan. Met een business card van mijn werkgever. Het kostte me bijna mijn baan en definitief mijn loopbaan.

Bekijk het maar
Voor mijn werk reis ik een aantal keren per week naar een stad hier in de buurt. Ik werd uitgeleend door mijn werkgever aan een buurgemeente die mij graag wilde inhuren. ‘Dan krijg je een businesscard van de NS, zodat je er met openbaar vervoer naar toe kunt’ zei mijn baas. ‘Je moet dat ding dan wel iedere week weer inleveren en opnieuw lenen. Dat zijn nou eenmaal de regels’, voegde hij er nog aan toe.
Bekijk het maar dacht ik toen meteen al. Dat ga ik dus mooi niet doen, dat telkens weer inleveren en weer aanvragen. Administratieve rompslomp.
Achteraf bezien is die houding al de eerste aanzet geweest tot wat er verder zou gaan gebeuren. Want de business card heeft me genekt, en niet zo’n klein beetje ook.
Of eigenlijk heb ik mezelf genekt want de hele kwestie was natuurlijk gewoon mijn eigen domme schuld.

Gemakzucht en nonchalance
Ik krijg in mijn werk veel vrijheid van mijn werkgever om mijn taak in te vullen zoals mij dat nuttig lijkt. Verantwoording afleggen op hoofdlijnen, veel verder ging het vaak niet, en ook dat heeft me parten gespeeld. Want langzamerhand sloop de gemakzucht, nonchalance en misplaatst vrijheidsgevoel er in. Een leuke baan met veel ruimte om mooie dingen voor de stad te doen die mij zo lief is.
Integriteit was niet meer dan de ver-van-mijn-bed-show. Zal allemaal wel, stond ik niet eens bij stil. Verklaring ondertekenen en klaar. Stelt niks voor.
Die businesscard had ik dus gewoon altijd op zak. En gebruikte ik wel eens af en toe privé. Ritje naar Schiphol, met de bus naar de stad, dat soort dingen. Ik vroeg me zelf niet eens af of dat wel in de haak was. Zo weinig gevoel voor, maar ook kennis van integriteit had ik dus blijkbaar. Dat is toch op zijn minst zeer naïef te noemen, of zeer dom en dat is me dan ook duur komen te staan.

In één klap
Want op ene gegeven moment kwam de man met de hamer langs die mijn loopbaan in één klap kapot sloeg. Op een maandagochtend belde mijn baas of hij even bij mij langs kon komen. Tien minuten later stond hij aan mijn bureau.
Hij draaide er ook geen moment om heen. ‘Je wordt disciplinair gestraft, en ik zou dit niet te licht opvatten als ik jou was’, zei hij. Waarop mijn werkzame leven vervolgens van het ene op het andere moment instortte. De volgende dag kwam mijn kwestie al aan de orde in het College van B&W. Waar mijn goede reputatie (meer dan 30 trouwe, passievolle dienstjaren) in een korte mededeling van de directeur ten overstaan van het voltallige college teniet werd gedaan. Niets meer van over. Voorgoed voorbij.
En vanaf nu werk ik dus met een kras op mijn blazoen die nooit meer weg gaat.

Schuld en spijt
Het besef van schuld en spijt kwam pas later in gesprekken met betrokkenen. Ik heb meteen een onderhoud met de burgemeester (waar ik in mijn werk regelmatig mee van doen heb) aangevraagd en dat deed me goed, hoewel ik ook van hem een (terechte) forse reprimande kreeg. ‘Ik heb ze voor minder de laan uitgestuurd’ zei hij. Het besef dat ik enorm uit de bocht was gevlogen, drong langzaam maar zeker goed door toen mijn leidinggevende mij met een simpel voorbeeld de ogen opende : ‘Jij vervult een sleutelpositie in sommige gemeentelijke kwesties. Wat nu als burger x verneemt dat jij niet integer bent. Besef je wel hoeveel schade je dan berokkent?’

Grof vuil
De integriteitstraining die ik daarna kreeg (onderdeel van mijn straf) was uiteindelijk de definitieve eyeopener. Toen hoorde ik pas wat integriteit betekent, en wat er kan gebeuren als je niet 100% (een beetje integer bestaat simpelweg niet) integer bent:
Het kan letterlijk je baan kosten. En dan ga je dus zonder regeling of wachtgeld. Zonder mooi afscheid na al die jaren werken. Je wordt onverbiddelijk als grof vuil buiten de deur gezet door de stad waar je je met hart en ziel voor hebt ingezet. Bijstand krijg je ook niet. Mocht je niet meteen weer een baan vinden; eet eerst je eigen huis maar op.

Stelt allemaal niet veel voor hè, die integriteit…

Die ‘dubbele pet’ past niet helemaal

Senator Anne-Wil Duthler van de VVD heeft in juli 2014 vóór een wetsvoorstel gestemd waarin adviezen van haar eigen bedrijf zijn opgenomen. Dat blijkt uit onderzoek van Follow the Money. De stem van Duthler was cruciaal: zonder haar stem was er in de Eerste Kamer geen meerderheid voor de omstreden Wet Maatschappelijke Onder-steuning (WMO) 2015, die zorgtaken van het rijk overhevelde naar gemeenten. Duthler Associates, het bedrijf van de senator, leverde het advies in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Volgens Duthler betaalde het ministerie 76.960 euro en was de klus niet Europees aanbesteed. Het ministerie had deze ‘wegens tijdgebrek’ onderhands aan Duthler Associates gegund. Het was niet de enige opdracht die Duthler’s bedrijf in 2013 deed voor VWS: een tweede opdracht leverde 74.185 euro exclusief btw op. Of deze klus wel was aanbesteed, wil Duthler niet zeggen.
Dit nieuws van Follow the Money heeft ervoor gezorgd dat de fractievoorzitters van de Eerste Kamer onderzoek gaan doen naar de eigen gedragsregels voor neven-functies en dreigende belangen-verstrengeling, zo hebben zij afgesproken. Ook komt er dit najaar, voor het eerst, een speciale bijeenkomst over integriteit. De fractievoorzitters zullen dan bespreken of de gedragsregels nog bij de tijd zijn.

Voordat dit nieuws de indruk wekt dat er weer een VVD-politicus over de schreef is gegaan, is het goed te bedenken dat dit ook collega’s van haar had kunnen overkomen. Dat zit ‘m in het feit dat senatoren vrijwel allemaal bijbanen hebben omdat het werk voor de Eerste Kamer slechts één dag werk in de week kost en dit onvoldoende inkomen oplevert. Sterker: eigenlijk is het senaatswerk zelf een bijbaan naast de vaak talrijke functies in de publieke of commerciële sector. Daar is op zich niets mis mee, want behalve het materiële aspect worden worden activiteiten in de samenleving juist als een pre gezien. Het gaat om mensen die elders met ‘hun poten in de modder staan’. Nu blijkt het met die modder behoorlijk tegen te vallen, zo blijkt opnieuw uit onderzoek van Follow the Money uit 2015. Van de 439 (bij)banen die de 75 senatoren gezamenlijk bezitten, betreft het in 261 gevallen (59%) een bestuurlijke of toezichthoudende functie. Nog eens 78 senatoren (18%) hebben baantjes met als functieomschrijving ‘adviseur’. Dat betekent dat er alles bij elkaar opgeteld veel meer bestuurs- en adviesfuncties zijn dan senatoren in de Eerste Kamer. De meeste van hen hebben dan ook niet één of twee bijbanen in de bestuurskamer. Wat heet: bijna een derde van de Eerste Kamer bekleedt vijf of meer functies als bestuurder of toezichthouder. Vooral bij de VVD, het CDA, D66 en de PvdA stapelen senatoren met klussen op toezicht- en bestuursniveau. Oud-staatssecretaris Joop Atsma (CDA) heeft bijvoorbeeld 17 bestuursfuncties, naast nog twee adviesklussen en is tevens directeur van zijn eigen adviesbedrijf Comoraat BV. Zijn collega Alexander Rinnooy Kan (D66) telt 17 bestuurs- en toezichthoudende functies, op een totaal van 29 (bij)banen. Janny Vlietstra van de PvdA telt 11 voorzitterschappen en andere bestuurlijke klussen en Frank de Grave heeft er 9 (VVD, net vertrokken naar de Raad van State).
De vraag is of hier geen sprake is van een in het systeem ingebouwde (schijn van) belangenverstrengeling of dat het tegenovergestelde telt: vakkennis en ervaring in andere sectoren maakt de senatoren beter geschikt om te reflecteren op wetgeving uit de Tweede Kamer. Zelf zeggen zij: Het échte leven buiten Den Haag zie je immers dankzij alle (bij)banen.

Van dat laatste is Wim Voermans, hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden allerminst overtuigd. Hij stelt: “De eenzijdige nadruk op bepaalde functies en banen in de samenleving is in beginsel niet erg. Niemand verwacht dat de Eerste Kamer een één-op-één afspiegeling van de samenleving is. Maar de Eerste Kamer staat niet een beetje uit het lood, ze helt vervaarlijk voorover. Er is altijd een oververtegenwoordiging van bepaalde sectoren en uit bestuurlijke gremia geweest. Maar wie de recente cijfers goed leest – en dat spoort met de veelal academische achtergrond van de senatoren – ziet bijvoorbeeld een enorme oververtegenwoordiging van de bestuurlijk-academische onderwijs-elite. ‘Zelf zeggen ze dat ze al die nevenfuncties hebben om goed worteling te houden in de samenleving. Maar welk segment is dat eigenlijk? De topvijf procent van het inkomens- en opleidingsgebouw? De senatoren zijn bijna allemaal academisch opgeleid. Er zijn ook weinig hbo’ers, en maar acht senatoren hadden in 2015 een lagere opleiding.’
En er is nog een ander probleem: de inkomsten uit de nevenfuncties en (bij)banen. Van bijna de helft van de senatoren is voor de buitenstaander niet duidelijk of een senator met baantjes in negen sectoren een ‘baantjesjager’ is, en of een senator die zich duidelijk specialiseert in een sector de belangen van zijn werkgever kan scheiden van het algemene belang. Maar juist deze transparantie over nevenfuncties is onontbeerlijk, zo constateerde Greco, het Europese samenwerkingsverband voor preventie van corruptie, in juni 2013. De Neder-landse volksvertegenwoordigers in de Eerste en Tweede Kamer kenden te weinig regels om de integriteit goed te bewaken, zo stelde men; er werd teveel aan de fracties van politieke partijen zelf overgelaten. ‘Politici bepalen zelf of sprake is van belangenverstrengeling,’ concludeerde Greco. Maar er werd ondertussen nooit gedebatteerd over het thema integriteit, terwijl de slager wel iedere keer zijn eigen vlees keurde.
Het ‘dubbele petten’-probleem is niet eenvoudig op te lossen. De trans-parantie kan aanzienlijk veel beter, maar een Kamer met een eendaagse werkweek kan niet van de leden vragen de andere werkzaamheden te staken. Daar zal altijd enige wrijving blijven. Greco deed in 2013 al een aantal behartigenswaardige aanbevelingen: voor de Eerste Kamer was het vooral van belang een register te maken dat volledig up to date is en eenvoudig publiekelijk te raadplegen. Daarin staan nevenfuncties en een omschrijving van werkzaamheden binnen een sector, als ook geschenken van boven de 50 euro en reizen die als senator zijn gemaakt. Tevens adviseerde het Europese samenwerkingsverband een intensieve integriteitstraining voor alle volks-vertegenwoordigers, een register waarin alle lobbyisten staan die de Senaat bezoeken én het openbaren van het salaris dat in een nevenfunctie wordt verdiend. Tot nu toe is daarmee nog niets gedaan. Het wordt tijd dat de senaat daar na vijf jaar haast mee maakt.

Job de Haan, nieuwsredacteur Integriteit.nl

Eén op de drie gemeenten kent criminele ‘weldoeners’

“Wij kwamen voorbeelden tegen van een omstreden motorclub die een kringloopwinkel overnam, een sponsor van meerdere voetbalclubs die in verband werd gebracht met de uitbuiting van Oost-Europese werknemers en mensen met een dubieuze achtergrond die als ‘weldoener’ een kort lijntje hadden gekregen met lokale bestuurders. Dat laatste irriteert me het meest, dan komt de integriteit van de overheid in gevaar’, aldus Toine Spapens, hoogleraar criminologie, en mede-auteur van het rapport: Ondermijning door criminele ‘weldoeners’. Maar liefst een op de drie gemeenten kampt met criminele weldoeners: criminelen die hun illegaal verkregen vermogen gebruiken om bijvoorbeeld sport-clubs te sponsoren, en zo een respectabele positie verwerven in hun gemeenschap. Dat blijkt uit het onderzoek van de Universiteit Tilburg en Bureau Bruinsma dat deze week verscheen. Het is de eerste keer dat het fenomeen ‘criminele weldoeners’ in kaart is gebracht. Volgens de onderzoekers, die werkten in opdracht van Politie en Wetenschap, is het een ‘niet te onderschatten’ probleem.

Conclusie van het rapport dat de situatie in Brabant onderzocht: Criminelen ondermijnen niet alleen de rechtsorde door het plegen van straf-bare feiten. Ze doen dat tevens door het bevorderen van maatschappelijk nuttige activiteiten, zoals sponsoring van sport en evenementen, het oprichten van goededoelenstichtingen, het helpen van zorgbehoevenden en het optreden als woordvoerders van en probleemoplossers in de wijken waar zij wonen of vandaan komen.
Crimineel weldoenerschap is in Nederland geen onbekend fenomeen – voorbeelden kunnen in de media gemakkelijk worden gevonden –, maar het was nog nooit systematisch onderzocht. En de onderzoekers zijn ervan overtuigd wat nu in Brabant is bnlootgelegd, voor heel Nederland geldt. Een veel voorkomende vorm van ‘weldoenerschap’ is het fenomeen ‘wijkkoningen’. Het gaat hier om personen die in hun directe omgeving een zekere status hebben opgebouwd, omdat ze persoonlijke zaken voor de andere bewoners regelen, of hen met raad en daad bijstaan. Wijkkoningen treden bijvoorbeeld ook op als woord-voerder richting de gemeente, als het gaat om belangen van de buurt, en kunnen ook evenementen of sport-verenigingen sponsoren. Tegelijkertijd zijn zij (vermoedelijk) crimineel actief en wordt dit soort ‘regelwerk’ mede gedaan om loyaliteit en zwijgzaamheid van de buurtbewoners te bevorderen. Wanneer dat niet goedschiks lukt, is intimidatie en bedreiging vaak niet ver weg. Het begrip ‘wijkkoning’ is uiteraard subjectief, en verwijst met name naar de invloed die dit type weldoeners in de ogen van geïnterviewden heeft op het reilen en zeilen in de buurt. De achtergrond van weldoeners loopt uiteen. Het gaat bijvoorbeeld om (voormalige) drugscriminelen, leden van motorbendes en louche onder-nemers. Hun maatschappelijke activiteiten komen doorgaans aan het licht wanneer er een strafrechtelijk onderzoek tegen hen wordt gestart, of wanneer er klachten binnenkomen. Weldoeners zijn vaak invloedrijk en krijgen van de omgeving lang het voordeel van de twijfel, onder het mom: ‘Er is nog nooit iets bewezen.’ Ook de lijntjes naar gemeente-bestuurders of raadslieden zijn soms opvallend kort.
De vraag is wat gemeenten kunnen doen tegen dit soort moeilijk grijpbare vormen van criminaliteit dat vaak ook onuitgesproken draagvlak onder de burgers heeft. En als men al op zou willen treden dan blijkt in de praktijk dat er onvoldoende mensen en middelen voorhanden zijn. Dus geeft men de voorkeur aan te wachten tot er bijvoorbeeld uit een strafrechtelijk onderzoek concrete aanwijzingen voor misdrijven komen bovendrijven. Dat kan soms lang duren. Spapens: “De kern van ons betoog is dat gemeenten vaak meer kunnen doen dan ze zelf denken. Als je gaat graven, vind je altijd wel wat. Je kunt daarnaast je reguliere gemeentelijke controles uitvoeren. Je kunt informatie delen met andere gemeenten: soms is iemand met louche zaken bezig in gemeente A, en speelt hij de weldoener in gemeente B. En je mag ook andere instanties inschakelen, denk aan de Belasting-dienst. Bij vermoedens kun je bovendien ‘stop-gesprekken’ voeren met een sportvereniging die geld krijgt van de weldoener. Een goed voorbeeld uit de praktijk is de aanpak van een zogenoemde wijkkoning: een crimineel die de dienst uitmaakt in een bepaalde wijk. Deze meneer begint zich op een bepaald moment ook heel actief te bemoeien met de voetbalclub. Hij is sponsor en jeugdtrainer tegelijk. Er komen vervolgens allerlei onfrisse types op die club en de sfeer verslechtert. Ouders van jeugdspelers hebben toen geklaagd bij de wijkagent. Deze agent heeft daarop van alles georganiseerd om de invloed van die wijkkoning te verminderen. Inmiddels is deze criminele weldoener geen hoofdsponsor meer. Daarnaast heeft de wijkagent deze verdachte intern bij de politie op de kaart gezet. Het is een zaak die nog steeds loopt. De situatie is nu wel verbeterd, maar het blijft een hoofdpijndossier omdat de verdachte in kwestie zich nog altijd als ‘wijkkoning’ manifesteert.’ Kortom: de bestrijding van criminele weldoeners is een combinatie van politieke wil èn van lange adem.

Job de Haan, nieuwsredacteur Integriteit.nl

‘Lokaal bestuur meer integer dan Den Haag’

Nederlanders hebben meer vertrouwen in de integriteit van het eigen gemeentebestuur dan van de regering. Niet alleen bleek bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen de populariteit van de lokale partijen opnieuw gestegen; 32,7% van de stemmen gingen naar de lijsten zonder landelijke binding, tegenover 27,6% bij de Tweede Kamerverkiezingen vorig jaar. Ook als het gaat om het vertrouwen in de integriteit van de overheid, krijgen de plaatselijke bestuurders en ambtenaren een hoger cijfer dan de Nederlandse regering: een 6,5 tegenover een 5,8. De grootste groep Nederlanders (44%) beoordeelt de integriteit van het lokale bestuur met het cijfer 6 tot 7. De regering wordt kritischer beoordeeld: één op de drie Nederlanders geeft haar het cijfer vijf of lager. Toch is het lokaal niet allemaal rozengeur en maneschijn: één op de zes (17%) beoordeelt de integriteit van de eigen bestuurders met een onvoldoende. Deze resultaten blijken uit een landelijk en representatief onderzoek van het onderzoeksbureau I&O Research in opdracht van Binnenlands Bestuur en BNR Nieuwsradio.

Een interessante uitkomst van het onderzoek is het antwoord op de (open) vraag wat Nederlanders verstaan onder bestuurlijke integriteit. Dan komt als eerste de term ‘eerlijkheid’ naar boven. Op de tweede plaats het ‘vooropstellen van het belang van de burger’ tegenover het ‘niet handelen uit eigenbelang’ door ambtenaren en bestuurders. Hieronder vallen ook het vermijden van belangen-verstrengeling en vriendjespolitiek. Derde waarde die boven komt is ‘transparantie’ of het synoniem ‘openheid’. Als vierde genoemde elementen volgen ‘betrouwbaarheid’ en het ‘nakomen van afspraken’.
Als het gaat over de verdeling van de waardering van integriteit over de politieke partijen dan zijn de traditionele (bestuurders)partijen het meest positief; zij geven een ruime voldoende, waarbij de SGP er als hoogste uitspringt. De kiezers van partijen met een kortere parlementaire geschiedenis, zoals Partij voor de Dieren, PVV, 50Plus, Forum voor Democratie en DENK zijn negatief over de integriteit van het lokale bestuur en geven een onvoldoende. Het beeld dat Nederlanders hebben van integer gedrag is getoetst aan hand van twee praktijkvoorbeelden.
Casus 1: Mag de voorzitter van een voetbalclub die ook raadslid is, meestemmen over de uitbreiding van het voetbalveld? Een meerderheid (71%) vindt het niet acceptabel dat de voorzitter van de voetbalclub mee-stemt over de uitbreiding. Als het om de voormalig voorzitter gaat dan is nog steeds een kleine meerderheid (52%) tegen.
Casus 2: Mag een wethouder een besluit nemen over de locatie van een verslaafdenopvang dicht in de buurt van zijn of haar eigen woning? Dat mag hij niet vindt een meerderheid (55%) van de burgers. Eén derde (34%) vindt het overigens wel acceptabel.
Een essentieel onderdeel van bestuurlijke integriteit is de schijn van belangenverstrengeling. Maar over hoe dat in de praktijk eruit zou moeten zien verschillen de meningen. De meesten vinden dat wanneer een lokale politicus een persoonlijk belang heeft bij een besluit, hij/zij zich om die reden moet onthouden van stemming en het besluit aan anderen laten. Een andere groep vindt het juist van integriteit getuigen als de betreffende politicus transparant is over de mogelijke verstrengeling en vervolgens het algemeen belang boven het persoonlijk belang stelt bij besluitvorming. Je weet nu eenmaal als lokale politicus dat je op kleinschalig niveau al snel met strijdige belangen geconfronteerd gaat worden.
Ruim één derde van de Nederlanders is op de hoogte van integriteits-schendingen door bestuurders, raadsleden of ambtenaren van hun gemeente. Van die groep vindt 30% dat de media daar te weinig aandacht aan besteden, 27% vindt dat de media juist teveel de spotlight hierop richten en een opvallend groot percentage (42%) neemt een middenpositie in of weet het niet. De helft van de Nederlanders (50%) is trouwens van mening dat bestuurlijke integriteitsschendingen onvoldoende worden bestraft.
Vorige maand kwam minister Kajsa Ollongren van Binnenlandse Zaken met het plan om kandidaat-wethouders, net als de burgemeester, te laten screenen door justitie, de Belastingdienst en de AIVD. Daarnaast zullen lokale bestuurders worden verplicht een Verklaring omtrent gedrag (VOG) te overleggen. Tevens moet er een integriteitstoets komen voor wethouders. Op grond van het onderzoek van I&O Research kunnen die voorstellen op brede steun rekenen: negen op de tien Nederlanders (89%) vinden dit een goed idee. Verder steunt een ruime meerderheid (77%) het voorstel om de burgemeester de mogelijkheid te geven om een raadslid of wethouder een disciplinaire maatregel op te leggen bij niet-integer gedrag.

Job de Haan, nieuwsredacteur Integriteit.nl

12310