VVD: “Sorry seems to be the hardest word”

Aldus de titel van een song van Elton John uit 1976 waarin hij een verbroken liefdesrelatie bezingt, maar de woorden zijn tegenwoordig ook politiek toepasselijk; waarover later meer. Aanleiding is de Politieke Integriteitsindex 2016 (PI-Index) die Vrij Nederland voor de vijfde keer publiceert en wat blijkt: ook vorig jaar scoorde de VVD net als de vier jaren daarvoor de meeste schandalen. Bij die partij kwamen vijftien nieuwe integriteitsaffaires in het nieuws. Het CDA had er vier, de PvdA drie, D66 vijf. Overigens moet daarbij wel vermeld worden dat de VVD landelijk ook de meeste bestuurders kent. Het totaal aantal kwesties bij alle politieke partijen kwam uit op 46. Dat is lager dan voorgaande jaren: 67 in 2015, 49 in 2014 en 64 in 2013.

Daaruit concluderen dat er sprake is van een dalende trend zou te ver gaan, want daarvoor bestaat de Index nog te kort. Wel is tot nu toe vast te stellen dat het van jaar tot jaar nogal schommelt; soms meer, soms minder. Het zou kunnen dat het relatief lage aantal affaires in 2016 te maken heeft met het feit dat er vorig jaar helemaal geen Kamer- of gemeenteraadsverkiezingen zijn geweest noch voor de Provinciale Staten. Wanneer er een vlekje aan politici zit, dan komt dat vaak vlak voor of na de verkiezingen aan het licht, wanneer ze ineens landelijk in het nieuws komen. Nieuwsgierige journalisten gaan dan spitten in het verleden en voormalige studiegenoten, collega’s of buren melden zich met schandalen die de kandidaat niet had gemeld bij de partij. Als de meeste rotte appels uit de boom zijn geschud, wordt het de jaren daarna rustiger.
Naast de VVD had ook D66 weer een slecht jaar op integriteitsgebied. De Democraten zijn traditioneel brave politici met weinig affaires: sinds 1980 werden er 21 genoteerd, tegen de VVD 106, CDA 83, PvdA 70. Maar de laatste jaren gaat het opmerkelijk vaak mis, ook met opvallend rare schandalen. In 2015 hadden ze negen affaires, waaronder het bizarre verhaal van Marc-Jan Ahne, de burgemeester van Ommen, die op heterdaad werd betrapt bij een greep in de kassa. In 2016 had D66 vijf affaires. Twee D66’ers moesten aftreden wegens ontucht met minderjarigen. En in Eemnes werd het raadslid Ed van der Vaart, door de politie opgepakt wegens bedreiging en mishandeling. Diverse slachtoffers deden aangifte. D66 Eemnes zette hem direct uit de fractie.
Terug naar de woorden van Elton John. VVD-ers tonen zich zelden schuldbewust en blijven vechten, ook in de publiciteit. Ze gaan ook vaak in hoger beroep, waardoor de hele rel nóg een keer langskomt. Geruchtmakend was het proces tegen Jos van Rey, senator en voormalig VVD-wethouder in Roermond, en Tilman Schreurs, eveneens voormalig VVD-wethouder daar. Zij werden in juli veroordeeld: Schreurs werd schuldig verklaard zonder strafoplegging, Van Rey werd veroordeeld tot 240 uur taakstraf wegens corruptie en het lekken van vertrouwelijke informatie over de burgemeestersbenoeming in Roermond. Met zoveel slepende affaires is het niet vreemd dat er in het zicht van de verkiezingen altijd wel eentje oplaait. Bas Haan, de Nieuwsuur-journalist die steeds nieuwe feiten in de bonnetjesaffaire onthult, heeft erop gewezen dat de VVD’ers in de top van het ministerie ook flink tijdrekken met antwoord geven op zijn vragen. Elk detail van de Teeven-deal moest eruit gesleurd worden door journalisten, onderzoekscommissies en oppositiepolitici. Ook daardoor blijft het schandaal maar etteren.
Wat valt er te leren van vijf jaar onderzoek naar de politieke integriteit in Nederland? De laatste jaren schommelt het aantal affaires op de Politieke Integriteits-Index tussen de 46 en 67 per jaar. Nederland telt alles bij elkaar op gemeentelijk, provinciaal en landelijk niveau bijna 12.000 gekozen volksvertegenwoordigers en bestuurders. De bulk daarvan – bijna 11.000 – zit bij gemeentes. Zo bezien gedraagt de overgrote meerderheid zich keurig en gaat slechts een minuscule minderheid de mist in. Niettemin: elke affaire is er één te veel, want het schaadt het ambt van politicus. Nederland scoort ook elk jaar goed op de wereldwijde ranglijst van corrupte landen van Transparancy International. De PI-Index laat inderdaad zien dat we relatief weinig gevallen hebben van corruptie (waaronder ook vriendjespolitiek en nepotisme vallen: Tichelaar!) – veertig sinds 1980. Toch zegt dat niet alles. Corruptie is lastig aan te tonen: een slimme politicus die het niet te opzichtig speelt, kan er gemakkelijk mee wegkomen. Dat Jos van Rey tegen de lamp is gelopen, komt vooral door vasthoudende onderzoeksjournalisten. Het goede nieuws is dat Nederland veel strenger is geworden. Joep Galiart, die in 1980 als eerste Limburgse burgemeester werd veroordeeld wegens fraude, trad na zijn veroordeling niet af maar werd later eervol ontslagen. Piet van Zeil kwam als staatssecretaris van Economische Zaken regelmatig in opspraak, omdat hij bijvoorbeeld zijn huis gratis liet opknappen door werknemers van een woningbouwvereniging waar hij commissaris was. Maar hij kwam er zonder kleerscheuren vanaf, terwijl dat onder de huidige omstandigheden ondenkbaar zou zijn. Aandacht voor integriteit moet echter ook weer niet doorschieten in ‘integritisme’ door op elke slak zout te leggen. Als politici (zoals Mark Rutte) helemaal niets meer declareren om elk mogelijk gezeur voor te zijn, schieten we door. Daarom komt ook lang niet elke rel op de PI-Index. Alleen die schandalen worden daarin opgenomen als ze ook werkelijk iets om het lijf hebben.

De Politieke Integriteits Index (PI Index) wordt sinds 2013 samengesteld door Bart de Koning (in samenwerking met Vrij Nederland), Leo Huberts, hoogleraar bestuurskunde aan de VU en Muel Kaptein, hoogleraar integriteit aan de Erasmus Universiteit.

Screening kandidaten politieke partijen harde noodzaak

Als zich bij jouw partij een kandidaat volksvertegenwoordiger aanmeldt, is het van uiterst wenselijk tot onontbeerlijk dat deze van onbesproken gedrag is. Dat wil zeggen: hij heeft zelf of zijn naaste omgeving geen crimineel verleden, in zijn cv staan geen zaken opgenoemd die niet kloppen, hij liegt niet over zijn arbeidsverleden of diploma’s, heeft geen verslavingsprobleem enz. De vraag is hoe een partij er achter kan komen of iemand politiek gesproken ‘brandschoon’ is. Uit een recente representatieve steekproef van NRC blijkt dat een onder gevestigde en nieuwe partijen voor de Tweede Kamer daar nauwelijks onderzoek naar wordt gedaan.

Het enige dat men verlangt is een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) en een paar stevige sollicitatie- gesprekken. Alleen VoorNederland (VNL) schakelde voor 40.000 euro een bedrijfsrecherchebureau in om twaalf kandidaten door te lichten, op grond waarvan er twee afvielen. De reden dat andere partijen dit niet doen is volgens eigen zeggen: ‘te duur’ of ‘overbodig’. Toch is  zo’n controle de moeite en de kosten waard: De afgelopen vier jaar vertrokken vijf Tweede Kamerleden na fraude of wangedrag, acht splitsten zich af van bestaande partijen en ‘roofden’ een zetel van hun eigen partij, omdat ze lid bleven van het parlement onder hun eigen naam. Dat is niet iets waar politieke partijen op zitten te wachten. En daar bovenop kwam ook nog een waarschuwing van de Nationaal Coördinator Terrorisme- bestrijding als zou Rusland proberen om politici in Nederland te beïnvloeden. Maar niet alleen landelijke partijen zijn gebaat met kandidaten die op alle niveaus van onbesproken gedrag zijn, dat geldt evenzeer voor de lokale politiek. Het is dan ook een frappant dat terwijl de partijen hun kandidatenlijsten voor het parlement voor één februari moesten inleveren, het ministerie van Binnenlandse Zaken twee weken later naar buiten komt met de Handreiking integriteitstoetsing kandidaten voor decentrale politieke partijen.

De handreiking heeft tot doel “om de kwaliteit van de integriteitstoetsing van kandidaten voor volksvertegen- woordigende en bestuurlijke functies te verbeteren”, zoals verantwoordelijk minister Ronald Plasterk schrijft. Zij bevat een handzame toolbox, een overzicht van methoden die de wervings- en selectiecommissies van politieke partijen kunnen benutten bij het toetsen van de integriteit van en het verbeteren van het bewustzijn over de integriteitsrisico’s bij potentiële kandidaten. Dit gaat onder meer om een leidraad integriteit ten behoeve van selectiegesprekken en zogeheten dilemmakaarten integriteit politieke ambtsdragers.

Reactie Job de Haan Integriteit.nl: Het screenen en doorlichten van kandidaten is een even noodzakelijke als precaire aangelegenheid. Om bij dat laatste aan te sluiten: politiek bedrijven is intensief met gelijkgestemden samenwerken voor de idealen die je met elkaar deelt. Sleutelwoord daarbij is: vertrouwen. Screening, controle, doorlichten zijn begrippen die juist op gespannen voet staan met dat vertrouwen. Wie de kandidaat niet alleen op zijn of haar woord gelooft – wat politiek gesproken verstandig mag zijn – loopt het risico dat de kandidaat zich geschoffeerd en onheus behandeld voelt. Het gaat hierbij dus om het goede evenwicht te vinden tussen wat schadelijk voor de partij zou kunnen zijn of schadelijk voor de omgang met de beoogde vertegenwoordiger. Eén zo’n netelige kwestie die zich in dat verband aandient, is die van de neven- functies van een kandidaat voor de gemeenteraad of kandidaat-wethouder/ burgemeester. Afgelopen week publiceerde De Groene Amsterdammer een onthullend onderzoek onder alle gemeenten in Nederland waarvan ruim 80% antwoord gaf op de bijbanen van de gemeentelijke bestuurders. Dan blijkt: Burgemeesters hebben gemiddeld 8,6 bestuurlijke bijbanen en dan gaat het om bijbanen die ambtshalve uit hun functie voortvloeien. Dan valt te denken aan het voorzitterschap van een veiligheidsregio of het beschermheerschap van de lokale sportclub. Dan hebben burgemeesters ook gemiddeld 3,6 bijbanen in privé-tijd. De doorsnee wethouder heeft ambtshalve 5,1  nevenfuncties en 1,3 bijbanen op persoonlijke titel. Eén op de tien voltijdwethouders heeft een of meer betaalde bijbanen, tegenover een kwart van de burgemeesters. Laatstgenoemden verdienden daarmee een totaalbedrag van ruim één miljoen euro, de wethouders met een voltijd dienstverband verdienden bij elkaar voor 3,5 ton bij. Zulke getallen geven al snel een negatieve indruk die op zich niet terecht is, zoals bestuurskundige Marcel Boogers van de Universiteit Twente stelt: ‘Nevenfuncties geven toegang tot nieuwe netwerken en bieden ontwikkelmogelijkheden. Dat kan de bestuurlijke taken ook juist ten goede komen. Bovendien verkleint het de kans dat ontslagen bestuurders lang gebruik moeten maken van wachtgeldregelingen omdat ze geen nieuwe baan vinden.’ Ook moeten burgemeesters en wethouders sinds 2010 jaarlijks hun neveninkomsten doorgeven aan het ministerie van Binnenlandse Zaken & Koninkrijksrelaties (BZK). Ambtenaren op het ministerie controleren of ze niet meer dan veertien procent van hun bestuurderssalaris bijverdienen. Komen ze daarboven dan worden ze extra aangeslagen. De meeste burgemeesters hebben betaalde bijbanen bij organisaties in de semi-publieke sector (69 procent), gevolgd door het maatschappelijk middenveld (13 procent) en de private sector (18 procent). Vaak gaat het om toezichthoudende functies, vooral de zorgsector is populair. Een kwart van de betaalde bijbanen vervullen burgemeesters bijvoorbeeld als toezichthouder van een ziekenhuis of verslavingszorginstelling.

Toch leveren de getallen en percentages een voorstelbaar beeld op wanneer ingezoomd wordt op concrete casussen. CDA-burgemeester Ton Rombouts van Den Bosch is niet alleen de langst zittende burgemeester van het land, maar ook de grootverdiener onder zijn beroepsgroep. Hij ontving 84.870 euro aan salaris en vergoedingen. Burgemeester Toon van Asseldonk van Overbetuwe had de lucratiefste bijbaan onder de burgemeesters. Als penningmeester van de Stichting Ontwikkeling Nederlandse Antillen in Willemstad ontving hij 30.000 euro. Hier een staatje over de lokale bestuurders met de meeste nevenfuncties:

Aantal bijbanen burgemeesters:

Eindhoven, Rob van Gijzel* (PvdA)       61
Rotterdam, Ahmed Aboutaleb (PvdA)   61
Maastricht, Onno Hoes* (VVD)             47
Kerkrade, Jos Som (CDA)                      45
Utrecht, Jan van Zanen (VVD)              43
* inmiddels afgetreden

Aantal bijbanen wethouders:

Venray, Jan Loonen (CDA)                   71
Lingewaal, Griedo Bel (PvdA)              33
Deventer, Liesbeth Grijsen (Lokaal)    30
Echt-Susteren, Geert Frische (CDA)    29
Sittard-Geleen, P. Meekels (GOB)       29

Good News, Bad News

2016 was geen goed jaar voor lokale politici en met name voor de lokale wethouders. Daarmee hoort zij tot de drie zwartste jaren sinds de invoering van het dualisme op gemeente niveau in 2002. En het is het zwartste in de afgelopen vijf jaar, aldus Binnenlands Bestuur, journalistiek platform voor hoger opgeleide ambtenaren en bestuurders op internet. Oorzaak: politieke vertrouwensbreuken en/of verstoorde relaties tussen B&W en (een gedeelte van) de gemeen-teraad. Dat blijkt uit onderzoek dat is uitgevoerd door De Collegetafel, een kennis-platform van informatie, advies en debat over de bestuurlijke vraagstukken op de lokale en provinciale collegetafel, en over de bestuurders en topambtenaren die actief zijn aan en rondom deze collegetafels. Bovendien was Binnenlands Bestuur opdrachtgever voor het onderzoek. Belangrijke oorzaken van het politiek ten val komen op lokaal niveau is de versplintering in de gemeente-politiek en de stijl van besturen van de wethouder.

Tot zover het slechte nieuws, want de derde oorzaak zijn de gevallen van integriteit en belangenverstrengeling en die leveren goed nieuws op. Werd in 2014 van de coalitiebreuken 33% veroorzaakt door een geval van belangenverstrengeling of de verdenking van integriteit, in 2015 was dat gedaald tot 17% en vorig jaar verder naar 12%. In vijftien gemeenten moest de wethouder vertrekken vanwege de onvrede over zijn of haar manier van werken of omdat de wethouder naliet de gemeenteraad op tijd te informeren. Niet-integer gedrag kostte in tien gemeenten de wethouder zijn ambt. Dan was er nog een oorzaak die voor een record aantal van 46 aftredende wethouders zorgde: gezondheid of om persoonlijke redenen zoals de zwaarte van het ambt. Wat opvalt bij specificatie van en uitsplitsing naar politieke partijen is dat de afgetreden wethouders keurig verdeeld worden over de traditionele landelijke partijen, met één grote uitzondering: de Socialistische Partij, waarvan geen enkele wethouder het afgelopen jaar het politieke veld heeft hoeven ruimen. De vijfde partij van Nederland is na de verkiezingswinst voor de gemeenteraden in 2014 ook op lokaal niveau doorgebroken en heeft zitting genomen in het bestuur van vele gemeenten, waarvan dat van Amsterdam het meest opmerkelijke is.

Reactie Job de Haan Integriteit.nl: de uitslag van het onderzoek wordt door opdrachtgever Binnenlands Bestuur als negatief beschouwd en 2016 wordt zelfs gecategoriseerd tot een zwart jaar voor lokale wethouders. Reden is het grote aantal wethouders dat om welke reden dan ook gedwongen moest vertrekken. Dat is één manier om er tegenaan te kijken. Je kunt ook zeggen, dat de wet op het dualisme die vijftien jaar geleden werd ingevoerd haar werk uitstekend heeft gedaan. Die wet kwam er om de afstand van de gemeenteraad tot B&W groter te maken, inclusief de wethouders van de eigen partij die in het college zitting hebben. Met andere woorden het democratische proces heeft zijn werk goed gedaan en dat is winst voor de lokale politiek waar zo vaak kritiek op wordt geuit in de trant van handjeklap en onder één hoedje spelen tussen raads- leden en wethouders. Een andere verheugende uitkomst is dat de gevallen van belangenverstrengeling en niet- integer handelen, als oorzaak voor de val van een wethouder, spectaculair zijn gedaald van 33% naar 12% in de laatste drie jaar.

Hoe integer is de dokter?

Medisch specialisten die door farmaceutische bedrijven worden gesponsord, schrijven vaker en duurdere medicijnen voor van diezelfde bedrijven. Neem het nieuwe medicijn tegen diabetes Toujeo dat wordt gefabriceerd door Sanofi. Van de artsen die door Sanofi worden gesponsord, schrijft 52% van de artsen dit middel voor. Van de niet-gesponsorde artsen verstrekt slechts 19% dit aan patiënten. De cholesterolverlagers Repatha en Praluent worden door gesponsorde artsen drie tot vier keer vaker voor- geschreven. Artsen die worden betaald door de producent van diabetesmedicijn Tresiba schrijven dat middel aan gemiddeld veertien patiënten voor, de niet-betaalde artsen aan gemiddeld vijf.

Dat blijkt uit onderzoek van zorg- verzekeraar VGZ en de Volkskrant. Zij keken bij vier nieuwe geneesmiddelen naar het voorschrijfgedrag van artsen die gesponsord worden. Veel buiten- landse studies hebben de afgelopen jaren een verband vastgesteld tussen sponsoring en voorschrijfgedrag. Dat onderzoek kon in Nederland niet worden gedaan omdat de voorschrijf- gegevens niet openbaar zijn. Hoewel de cijfers statistisch significant zijn, levert het verband tussen sponsoring en voorschrijfgedrag niet meteen hard bewijs voor beïnvloeding. Een woord- voerster van de Federatie Medisch Specialisten zegt dat daarom nog geen conclusies kunnen worden getrokken. VGZ, de op een na grootste zorg- verzekeraar met ruim vier miljoen verzekerden, zette van vier nieuwe, dure geneesmiddelen op een rij hoeveel recepten internisten voor welke ziekte uitschrijven. Die informatie werd op verzoek van de Volkskrant gekoppeld aan de sponsor- bedragen van de farmaceutische industrie, voor bijvoorbeeld lezingen en nascholingen. Op die manier kon voor het eerst een verband worden vast- gesteld. Een samenhang tussen sponsorgeld en voorschrijfgedrag betekent immers nog niet dat het geld van de farmaceutische industrie het voorschrijfgedrag ook stuurt. ‘Er kan van alles meespelen en dat is niet onderzocht’, aldus de Federatie Medische Specialisten.

Reactie Job de Haan Integriteit.nl: Bij dit soort onderzoeken zijn er altijd twee zaken van belang: a. Hoe weten- schappelijk verantwoord is het gedaan en b. wie zijn de opdrachtgevers die bij de uitkomst ervan belang hebben. Op a. is het lastig een goed antwoord te geven omdat de onderzoeksmethode te summier is weergegeven. De aloude wijsheid: correlatie van verschillende gegevens en resultaten is nog iets anders dan de onderlinge samenhang en causaliteit. Dat er een significant verband kan worden geconstateerd tussen het voorschrijfgedrag van artsen die gesponsord worden en hun niet- gesponsorde collega’s als het gaat om vier nieuwe en dure medicijnen, is prikkelend. Maar dat kan voorlopig als indicatief worden bestempeld omdat er meer mogelijkheden zijn die zouden kunnen leiden tot het nu gevonden resultaat. Tot zover de scepsis. Wat zeker klopt is dat het feit dat deze onderzoeks- uitkomsten grote verschillen laten zien tussen artsen die wel en die niet gesponsord worden door farmaceutische bedrijven, aantoont wat al langer bekend is. Alleen al het feit dat de farma-industrie vele tientallen miljoenen stopt in sponsoring van artsen, geeft aan dat men dat geld goed besteed vindt. De Amsterdamse wetenschapsfilosoof en psychiater Berend Verhoeff noemt het verband logisch: ‘Met geld bind je mensen. Als je iets krijgt, ben je de gever bewust of onbewust iets verschuldigd. De farmaceutische industrie weet dat feilloos uit te  buiten.’ Geld heeft altijd invloed, zegt ook emeritus-hoogleraar gezondheidseconomie Guus Schrijvers. ‘Artsen hebben dat lang niet altijd in de gaten.’

En hoe zit het met punt b.: Wie heeft er belang bij  de uitkomst van zulk onderzoek? Die opdrachtgevers zijn de Volkskrant en zorgverzekeraar VGZ. Het belang van de eerste mag duidelijk zijn: groot nieuws en dat bleek ook zo uit het feit dat de krant er deze week mee opende. Wat VGZ betreft mag je veronderstellen dat er naast eigenbelang – liever geen dure maar goedkopere medicijnen vergoeden – ook een publicitair belang aan de orde is. Door je naam te verbinden aan dit soort onderzoek vergoot je de goodwill van je bedrijf bij potentiële klanten omdat die ook graag willen dat medicijnen worden voorgeschreven op basis van hun werking en niet omdat er zoveel mogelijk winst op wordt gemaakt. Daarom kun je concluderen dat dit onderzoek belangrijk is, al was het maar omdat dit aantoont dat specifieker en wetenschappelijk meer solide vervolgonderzoek noodzakelijk is.

Transparant volgens oud-eurocommissaris Neelie Kroes

Voormalig Eurocommissaris Neelie Kroes begint deze maand in haar nieuwe functie als voorzitter van de nieuwe adviesraad van de omstreden taxidienst Uber. Maar de overstap is niet bepaald geruisloos gegaan. Zo werd Kroes deze week in een kritische reportage van de VRT aan de tand gevoeld en was zij daar not amused over. In haar nieuwe baan binnen de adviesraad gaat Kroes met de bedrijfsleiding van Uber spreken over alle aspecten van de onderneming. Zij gaat Uber, die in verschillende landen overhoop ligt met de autoriteiten, adviseren over zaken als regelgeving en mede- dinging. Met haar overstap is de vraag over belangenverstrengeling of de schijn ervan openlijk ter discussie gesteld.
Dat er vraagtekens te plaatsen zijn bij Kroes’ overgang naar Uber bewijst een aantal gebeurtenissen. Zij nam het in 2014, toen ze voor de Europese Commissie de mededingings- en telecomzaken in haar portefeuille had, al op voor Uber. Zij twitterde indertijd: “Ik wil een nieuwe hashtag starten. Uber is welkom in Brussel en overal elders. We zitten niet in de 19e eeuw”.
Tijdens het interview deze week voor de Belgische VRT kwam zij in botsing met de verslaggever die haar herinnerde aan haar uitspraak gedaan tijdens haar eerste hearing als aankomend eurocommissaris in 2004. Kroes verklaarde toen, verwijzend naar haar geloofsbrieven: “De belangrijkste zin die ik heb neergeschreven en die ik hier vanmiddag toelicht, is dat ik na mijn periode in de Europese Commissie geen verantwoordelijkheid meer op mij zal nemen in het bedrijfs- leven. Zelfs niet bij een activiteit als een Bed&Breakfast, bijvoorbeeld.” Kroes’ reactie voor de VRT nu: “Het zat niet in mijn portefeuille (…) en ik heb mij aan de regels gehouden.” Kroes was tot november 2014 eurocommissaris, waarmee ze zich inderdaad gehouden heeft aan de wettelijke afkoelings- periode van 18 maanden die geldt voor politici uit de Europese Unie die aan de slag gaan voor bedrijven.

Reactie Job de Haan Integriteit.nl:
Begin deze maand deed dezelfde discussie zich op nationaal niveau voor. Toen verklaarde minister Melanie Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu dat alleen zijzelf erover gaat wat zij na haar ministerschap gaat doen. Daar had zij formeel het volste recht toe, omdat het handboek voor bewindslieden (67 pagina’s!) over van alles en nog wat voorschriften heeft, maar niet over waar een ex-lid van het kabinet zich buiten moet houden. Ook Neelie Kroes heeft het formele gelijk aan haar zijde door 18 maanden te wachten met een nieuwe functie, maar daarmee is niet alles gezegd. De overwinning van de Brexit-aanhangers vorige week heeft nog eens aangetoond dat de Europese Unie geen juridisch probleem heeft; de meesten tegenstanders verwijten Brussel juist regel- en bedilzucht. De EU heeft een ernstig imagoprobleem, namelijk dat de verantwoordelijke politici daar niet zitten voor het algemeen Europees belang, maar dat zij hun persoonlijk belang vooropstellen. Kroes wijst tegenover de VRT de suggestie van de hand dat haar overstap naar Uber een imagoprobleem voor de EU oplevert en kaatst de bal terug: “Ik ben het niet met u eens en bovendien als ik bang ben voor imagoproblemen en daarmee niet zou zeggen wat ik vind dat gezegd zou moeten worden, dan ben ik geen knip voor mijn neus waard.” Zij wekt daarmee de indruk dat het eigen imago van een krachtdadig bestuurder haar meer aan het hart gaat, dan de negatieve beeldvorming over Europa die er vanuit zou kunnen gaan. Dat het ook anders kan bewijst Jeroen Dijsselbloem, minister van financiën in de NRC: “Ik vind dat er een afkoelings- periode moet zijn voor politici. De eerste twee jaar ga ik niet werken in een sector waar ik nu verantwoordelijk voor ben: banken, verzekeraars, accountants, toezichthouders, staatsbedrijven. In het bedrijfsleven heet dat garden leave. Dat spreekt me enorm aan: twee jaar in de tuin zitten.” Een heldere stellingname die blijk geeft van het besef dat ook de schijn van belangenverstrengeling zich kan uitstrekken tot een werkzaam leven na afloop van een hoge post in het publieke domein.
Toch blijft ook hier de zwakke schakel: hoe bepaal je, en vooral wie bepaalt, wanneer er al dan niet sprake is van de schijn van belangenverstrengeling? Als je dat afdoende dicht wil timmeren dan levert dat een vuistdik boekwerk op vanwege alle casuïstiek die langs- gelopen, beoordeeld en beschreven moet worden. En dan nog kun je je afvragen of dat een waterdichte oplossing oplevert. Neem het voorbeeld van iemand die zijn hele leven in het bedrijfsleven werkzaam is geweest en op grond daarvan tot het ambt van minister van economische zaken is geroepen. Moet voor hem de weg terug naar het bedrijfsleven worden afgesneden omdat hij wel eens gebruik (of misbruik) zou kunnen maken van zijn kennis en ervaring als ex-bewindspersoon? Toch is het andere uiterste ook onbevredigend, namelijk dat alleen de persoon in kwestie strikt individueel en particulier de eindbeslissing kan en mag nemen op welke aanbiedingen hij ingaat als zijn ambtstermijn is afgelopen. Eén ding is wel duidelijk: de discussie hierover zal en moet nog lange tijd voortduren op alle mogelijke maatschappelijke en bestuurlijke niveaus.

VVD blijft hardleers

“Ik heb sinds zeven jaar geen Schiphol meer in mijn portefeuille, dus fictief gezien zou het helemaal geen probleem hoeven te zijn als ik daar naar zou overstappen. Maar: ik ben niet benaderd en heb hen ook niet benaderd, het is een gerucht”, aldus minister Melanie Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu begin van de week op televisie. Twee weken geleden was het vraagstuk al even aan de orde gekomen. In de Tweede Kamer werd Schultz van Haegen gevraagd of ze een overstap naar de nationale luchthaven overwoog en met haar stellige ontkenning leek de kou uit de lucht. In Buitenhof voegde zij daar afgelopen zondag echter een opmerkelijke stelling aan toe. Zij verklaarde: “Tegelijkertijd vind ik het ook een principiële vraag: Ik vind dat bewindslieden zelf hun integriteit moeten bewaken”.
Het vraagstuk van de integriteit van bestuurders staat al jaren in het brandpunt van de belangstelling. Talloze gedragscodes en richtlijnen voor good governance zijn opgesteld en in werking getreden, juist omdat het geen individuele kwestie is maar een zaak van algemeen belang. Met de verkiezingen van maart 2017 in het vooruitzicht, wordt druk gespeculeerd welke bewindslieden in de politiek willen blijven en welke naar een baan in het bedrijfsleven lonken. Dat roept de vraag op of transfervrije politici zich aan specifieke regels moeten houden. De kritiek op de overstap van voormalig verkeersminister Camiel Eurlings (CDA) naar KLM ligt immers nog vers in het geheugen. Net zoals de twijfels rond het aantreden van oud-minister van Economische Zaken Maxime Verhagen (CDA) bij de lobby van Bouwend Nederland.
Formeel mag een bewindsman of -vrouw zelf beslissen welke overstap men na de politieke carrière maakt. Er zijn wel twee restricties. Als een kabinetslid aantreedt moet het schriftelijk beloven dat het a. zijn functie en informatie verkregen uit die functie niet zal misbruiken in een volgende functie en b. de functie niet zal gebruiken om een volgende functie te verkrijgen. Uiteraard verwijst dat naar het risico van belangen- verstrengeling. Maar er is ook nog zoiets als de schijn van belangen- verstrengeling. Daarover zei Schultz van Haegen: “Het belangrijkste is dat jijzelf weet: doe ik er goed aan? En op het moment dat je er niet goed aan doet, moet je ook aangepakt worden. Zo vind ik niet dat Eurlings geen directeur van Schiphol had mogen worden. Dat was zijn eigen keuze. (…) Als je deskundig bent op een bepaald gebied dan is het toch niet gek dat je volgende baan zich ook in dat gebied afspeelt?”, aldus de minister en zij vervolgde: “Stel je voor dat je voor alle bewindslieden zou zeggen: u mag niet meer in uw eigen veld actief worden. Daar zou veel wantrouwen uit spreken!”.

Reactie Job de Haan van Integriteit.nl:
Het klinkt op het eerste gezicht alleszins redelijk dat kwesties van integriteit de verantwoordelijkheid zijn van eenieder die in een publieke functie gekozen is. Immers, het gaat altijd om mensen van statuur en met gezag van wie je mag verwachten dat zij eerlijk en onkreukbaar zijn en in zaken als gebruik of misbruik van de functie weten waar de grenzen liggen. Helaas blijkt het in de praktijk zo niet te liggen. Vanaf 2012 wordt er jaarlijks de Politieke Integriteits-index uitgegeven van politici die in de fout gingen. Dat aantal stijgt nog ieder jaar en alle partijen krijgen er mee te maken, de grootste partijen – uiteraard – het meeste.
Maar de VVD is de laatste jaren nationale koploper, op afstand gevolgd door PvdA, CDA en D66. Niet alleen in aantal staat de VVD fier op kop, ook de straffen van alle in opspraak geraakte VVD-politici zijn hoog en vertalen zich vaak in een onvoorwaardelijke celstraf, waar bij andere partijen vaak wordt volstaan met een taakstraf. Wat betekenen deze gegevens als je die legt naast de stelling van Schultz van Haegen: “Ik vind dat bewindslieden zelf hun integriteit moeten bewaken”. Dan valt deze absolute constante op bij de veroordeelde politici: geen van hen heeft ooit schuld bekend aan overtreding van de integriteitsregels of van (de schijn van) belangen- verstrengeling, terwijl de strafrechter daar geheel anders over dacht. Iedereen bleek keer op keer volstrekt overtuigd naar eer en geweten te hebben gehandeld; ook na het uitspreken van het vonnis. Dat wil dus zeggen dat wanneer je het finale oordeel over wat wel of niet kan helemaal bij de bestuurder in kwestie legt, dit in de praktijk tot misstappen kan leiden, zelfs tot een misdrijf aan toe. Schultz van Haegen kan wel principieel stellen dat dit een strikt individuele afweging moet zijn, maar daarmee laat zij ook principieel ruimte voor grote uitglijders die bestuurders en politici zelfs achter de tralies kunnen brengen. Het is betreurenswaardig dat uitgerekend een politica van de VVD, dat al zoveel leergeld op dit punt heeft moeten betalen, nog altijd niet wil inzien dat er niet voor niets zoveel gedragscodes en good governance afspraken zijn opgesteld, juist omdat een strikt individuele toetsing ontoereikend blijkt te zijn. Het wordt trouwens extra interessant waar Schultz van Haegen na de Tweede Kamerverkiezingen 2017 haar carrière zal voortzetten, omdat zij heeft aangegeven over een klein jaar uit de politiek te stappen. Dan wordt ook bekend waar zijzelf de grens trekt als het gaat om de integriteit van de openbare bestuurder die zij zolang is geweest.

 

12345610